Mémé
Ik ben grootouderloos. Sinds vanochtend. Mijn grootmoeder uit Lendelede (de moeder van mijn vader) is gestorven. Het is mooi geweest. Ze is bijna 95 jaar geworden en de laatste jaren waren er -mijn mening- misschien te veel aan. Alhoewel, ze was niet ziek, ze zag niet af, ze was gewoonweg niet meer aanwezig op deze wereld, zo leek het wel. Vanochtend is ze dus gegaan: snel, geruisloos, in alle stilte. Kaarsje uit. Dag mémé.
Ik was op mijn werk toen de gsm-display toonde: “TANTIE GSM”. Ik wist eigenlijk al hoe laat het was. Mijn tante belt me zo goed als nooit op mijn gsm. Ik rook terecht onraad. Mijn oom (nonkel) aan de lijn: die me rationeel zei dat mémé (de moeder van tantie, zijn vrouw en mijn tante) was gestorven. Tantie ook even aan de lijn. Ach, we hadden dezelfde mening: het moest er eens van komen en het is wellicht beter zo. Met dank voor het leven dat ze heeft gehad.
Even later belde ik mijn vader. Ook hij was dezelfde mening toegedaan. Hij klonk me korter af dan ooit: ik verdenk hem ervan dat ie toch gevoeliger reageert op de dood van zijn moeder dan ie ooit zal durven toegeven. De Decroubele-clan is een groep heerlijke en eerlijke mensen. Maar ze zijn wel behoorlijk koel bij momenten. En rationeel. ik heb dat iets minder, denk ik. Alhoewel ik ook wel eens keihard uit de hoek kan komen. Doet er niet toe nu…
Ik ga mijn grootmoeder niet groeten in een lijkkkamer. Ik gruwel daarvan. Ik deed het ooit bij mijn grootvader en dat spijt me al jaren. Dat beeld van een dood gezicht, de rigor mortis, neen, dank je. Ik hou mémé in mijn gedachten zoals ze was, van vlees en bloed. Ik herinner me haar als onopvallend, warm, sober, eenvoudig, bij momenten hilarisch, koppig, soms eigengereid, maar bovenal een goed mens. Nooit een vlieg kwaad gedaan of het moet -in gedachten dan- een Duitse soldaat zijn geweest.
De melancholie spat in mij op dit moment, een dood hakt toch in je herinneringen. Of beter: spreidt ze open. Ik zie (en ruik zelfs) Lendelede, de “melkstampers”, het “deurspekt”, de zetel onder het afdakje, de televisie oerend luid, haar nerveus tikje met de voet, haar staalblauwe ogen, de zakjes overal, de fantastisch kunstmatige krullen, het brood zonder zout, haar trekje om haar mond als ze wat geplaagd werd, haar lach, de liefde voor stratier Bobbie, haar halfgekke broer, de jacht op het kleedje, de wandelstok, de stilzwijgende dialoog met haar man. Mijn grootvader.
Al meerdere jaren is hij gestorven. Na een veel intensere, pijnlijke finale in het leven. In de kamer in het rusthuis waar ook mémé nu is gestorven. Zelfde ruimte, zelfde bed, zelfde stilte. Mijn held was hij. Is ie nog altijd. Een kind van zijn tijd, maar een baken, een morele gids voor mij. Mémé was anders. Ze had meer de rust van het gevoel in zich, de harde tederheid, de pijn weggestoken in een bol gemompel. De onschuldige négligence in menselijke vorm, op alle vlak. Het kan je gemoed ontluchten, heb ik geleerd van haar. Heerlijke vrouw.
Ik ga een kort gedicht schrijven voor haar. Eenvoudig, meer niet. Woorden moeten passen bij daden. En bij zijn. Voor haar. Ik heb wat Monteverdi opgezet. Dat wakkert de melancholie aan. En het besef dat het mooi is geweest. Bedankt, mémé. Tot ooit nog eens. Wie weet…
