Wondere woorden (II)
“Alles wordt met meer hartstocht nagejaagd dan genoten.”
(William Shakespeare)
Vivache, N. Bert, meme Dora, Het Radiofonisch Instituut [...]
Voorname voornamen-- Het Radiofonisch Instituut, Kaajee, Veerle, Anneleen [...]
Voorname voornamen-- Het Radiofonisch Instituut, super4004, Het Grote Verlangen » Blog Archive » Welkom Janne !, alcyon [...]
“Alles wordt met meer hartstocht nagejaagd dan genoten.”
(William Shakespeare)
‘t Wordt voor beperkte tijd wat moeilijker om veel met mijn blogje bezig te zijn, er staan andere tijdrovende zaken op stapel. Daarom zal ik mijn lezerspubliek (klinkt wel alsof dat duizenden mensen zijn, quod non) met enige regelmaat wat verblijden met citaten van weldenkende mensen. Citaten waarvan ik had gewild dat ze uit mijn mond waren gerold. Quod non bis. Frappante woordenbrij. Zoals…
“Als je je eenzaam voelt als je alleen bent, dan ben je in slecht gezelschap.”
(Jean-Paul Sartre)
Mijn vrouw heeft een hoofd waar alles op past. Elke gekke muts, elk mogelijk hoedje, op een of andere manier lijkt dat gesculpteerd voor haar. Volgens mij staat ze zelfs met een palmboom op haar hoofd, al is dat misschien ietwat overdreven. En biologisch onmogelijk. Maar de liefde voor het hoofddeksel lepelt ze nu al in bij onze dochter.
Ze was de hele dag in de weer, ondermeer met de zoektocht naar een geschikt hoedje voor dat kind, dat de voorbije maanden als een wervelwind ons leven heeft beheerst. Om haar te beschermen tegen de prikken van de zon. De buit was een doodgewoon zonnehoedje, rood met witte stippen. Een pothelmpje voor een kabouter zowaar. Ik kwam thuis en de trotse moeder stond te blinken met de dochter, verpakt in een rood hoedje.
Wandelend door het oude centrum, het kind in de draagdoek gehesen. Plots, vlak naast de lauwe Leie, stak een windstoot op. Het hoedje was blijkbaar niet goed genoeg vastgeknoopt en dwarrelde weg. En landde op de Leie. In de Leie. De blik van mijn vrouw op dat moment was zo ongelofelijk vertederend. De wanhoop nabij, terwijl je spreekt over een stukje texiel van ochgot enkele euro’s. Die vertwijfeling (ook al na een slechte dag voor haar, er zijn zo van die momenten), die ongelovige blik, ik vond dat hartverscheurend. Aandoenlijk. Sexy. Moederlijk mooi.
Het hoedje is gered. Een kennis uit de buurt gaf een lange houten stok en de moeder viste daarmee het kleinood uit het water. Gedreven en gebeten, om te redden wat er te redden viel. Ik keek toe, zo’n makke held ben ik wel bij momenten. Maar het verschafte me wel het plezier om toe te kijken hoe de triomf haar ogen vulde. Hoedje kliedernat, maar wel herwonnen.
Geliefden vind je mooi. Of aantrekkelijk. Of apart. Of karaktervol. Die ene seconde, na die schreeuw omdat een onnozel hoedje weg vloog, daarvoor geef ik geld. De brute pracht van de ontgoocheling. De hevige macht van de moederliefde. Een detail dat alles zegt. Een onnozel windje, als metafoor voor het wankele geluk.
Hetzelfde enkele dagen geleden: met twee lagen we op bed, te kijken naar Janne die zich amuseerde met een simpele, onnozele rode wasmand. Een ontdekking. Rood plastiek, met een handvat aan. Miljoenen mogelijkheden om dat ding te manipuleren. Een uur duurde het vooraleer ze allemaal waren uitgeprobeerd.
Zelf wil ik vaker een kind zijn dat zich amuseert met een rode wasmand. De blik afgewend van de razernij daarbuiten. En maar met kousen gooien. En kruipen, naar onbestemde bestemmingen.
Ik ben eens bij een dermatoloog geweest. Wratje bevriezen en eens naar mijn boebels op mijn benen laten kijken. Volgens de man in de witte jas zal het paars-rozige ervan wel verdwijnen, al kan dat nog wel een jaar duren.
Maar helemaal verdwijnen zullen ze niet, er zullen sporen zichtbaar blijven, blijkbaar zijn de wonden “open” geweest en da’s onomkeerbaar. Allez zeg, drie van de vijf plekken heb ik opgelopen door té vroeg té lang recht te staan. Op het concert van Nits dan nog. Ik word er nu voor eeuwig aan herinnerd, als dat geen toonbeeld (letterlijk!) is van een harde fan zijn.
Zo heb ik nu mijn eigenste tatoeages. Of noem het sporen van de tand des tijds.
Soms kan een dienst op de sportredactie van dé radio zo aangenaam zijn. Zoals gisteren. Eerder van de week kreeg ik de opdracht om de verslaggever met dienst te zijn op de rugbymatch van de Belgische nationale ploeg tegen de Barbarians, een selectie van wereldtoppers. In het Koning Boudewijnstadion. Het galafeest van de ovalen bal.
Rugby? Ik? Bij manier van spreken moest ik nog de spelregels instuderen, maar kom, ik trok er naartoe en heb een geweldige namiddag beleefd. Sport in amicaliteit en convivialiteit, 20.000 toeschouwers en eens spektakel van jewelste. Met de bijhorende sfeer. Na de match was het racen richting de VRT om zo snel mogelijk van hopen klankmateriaal een deftige montage te maken. Het resultaat daarvan kan je daar nog eens beluisteren (klikken op “sfeerverslag” bij audio).
En daarna was het “sidekicken” bij de hoogst sympathieke presentator Sebastian Decrop. Sidekicken, zeg je? Ja, een modern woord dat wijst op een rol als copresentator in een radioprogramma. Doorwerken is het, maar best plezant. En ondertussen het sportnieuws samenstellen, dat ook (voor)lezen in de nieuwsbulletins op de radio en ondertussen nog wat berichten maken.
Los dan nog van de sfeer op de redactie, waar met één oog werd gekeken naar “het circus van de kitsch”, ook wel eens het Eurovisiesongfestival genoemd. Lachen en terzelfdertijd voortdoen, met collega’s I. en J., jawel. Leuke avond, Meer van dat!
Zeker ook omdat de avond nog nachtelijk werd verlengd met “verbrande wijn” bij een erg geapprecieerde vriend en vriendin. Terwijl Janneke een verdieping hoger rustig sliep.
Meer moet het soms allemaal niet zijn.
Via ebay nog op de kop getikt: een plaat van Therapy? met daarop dit “(Happy people have no) Stories”. Altijd een dijk van een nummer gevonden. Trouwens ook de plaat met daarop “Diane”. Wat ik dan weer een vreselijk nummer vind, al zal het in mijn geheugen geboekstaafd blijven als het nummer dat speelde in die welbepaalde keet toen ik sinds enkele seconden een nieuw lief had. Dat meisje is er na 12 jaar nog altijd en ze is zelfs de moeder van mijn dochter, ha! Romantische muziek is anders, maar kom. Melodieus was het toch wel. En snoeihard. Alhoewel. Zo metal als Therapy? vaak wordt omschreven is het toch ook niet. Hoho, wat waren we toen beestige rockers. Euh… niet!
Halfweg februari ben ik op de sukkel geraakt: ziekenhuis, vasculitis en dergelijke meer. Nu drie maanden later lijkt er een eind te komen aan de ellende. Nog een kleine maand die okerkleurige joekels van pillen slikken en dan zou het moeten voorbij zijn.
Wekenlang heb ik bij elk pijntje, bij elke prikkel of op elke mindere dag gevreesd dat er meer aan de hand was in mijn lijf dan een kwaaie reactie op een virus. Ja, dan begin je snel te denken aan iets chronisch, iets mis met het bloed of iets met reuma, waar in het begin toch aan gedacht werd. Normaal gezien zou mijn volle 165 centimeter stilaan moeten gewapend zijn tegen verder onheil.
Nu, ik zal het maar geloven als alle tekenen écht weg zijn. Als die vermoeidheid (die ik vroeger nooit had) helemaal weggetrokken is. Maar dat kan -volgens mijn dokteres annex medische babe- nog wel een tijdje duren, het was uiteindelijk toch een aanslag op mijn lichaam. En als die laatste rode boebels weg zijn, zal ik helemaal gerust zijn. Maar dat kan wel eens op het einde van het jaar zijn.
Ach, ‘t komt goed. Diep vanbinnen vermoedde ik dat wel, maar een geboren hypochonder als ik is nogal snel geneigd om daar anders over te denken. Nu nog wat botox, een nier extra (ah neen, dat zal wel niet lukken), wat babyvet en een zuurstofkuur en ik ben weer een dartele achttienjarige. Of neen, een gezonde, flukse beginnende dertiger en ik ben ook al tevreden. Maar de Olympische Spelen, neen, die haal ik wellicht nooit.
Met dank nog eens aan Doc Seattle, voor de bijstand weken geleden.
Iedereen eco tegenwoordig en de berekening van de voetafdruk is dan ook in. Bij mij valt het al bij al mee: te veel om goed te zijn, maar nog net onder de voetafdruk van de gemiddelde Belg: dat laatste is 5,6 hectare, ik heb blijkbaar genoeg met 5,4 hectare.
Nu ja, “genoeg”: uiteindelijk is het nog schadelijk veel, maar ik had het ergste gevreesd omdat ik ruim 40.000 kilometer per jaar rij. Voor de rest hebben we een goed geïsoleerd huis en letten we op verbruik, voeding en dergelijke meer. En we zitten niet persé elk jaar eens in een vliegtuig en mijn vrouw is een toonbeeld van het gebruik van openbaar vervoer. Maar zonder die bak op vier wielen was het resultaat nog veel beter geweest.
Maar ik vrees dat zowel de inhoud van mijn job als het beleid van mijn werkgever er niet snel zullen toe leiden dat ik minder kilometers moet malen. Ik pleit nog eens voor satellietkantoren, thuiswerken en beter beredeneerde dienstroosters. ‘t Zou een enorme tijdswinst betekenen, om over de financiële en ecologische winst nog maar te zwijgen. Maar da’s een langzaamaanproces, vrees ik.
Dochter Janne (sinds vorig weekend nu al 8 maanden op deze wereld) gaat vooruit. Letterlijk en figuurlijk. Het was al weken wat aan het sluimeren en nu is het er van de week volledig doogekomen: ze kruipt. Aan een tempo dat snel genoeg is om je te doen schrikken. Want je laat ze achter op haar speelmat en voor je het weet, zit ze naast je op de keukenvloer. Te kijken en te glunderen, omdat ze tot daar is geraakt. Ook al is ze dan buiten adem.
Hm, de fase van het enkel en alleen baby-zijn lijkt voorbij, de veroveringstocht van de wereld is begonnen. Confronterend, maar ook leuk. Maar ‘t doet al terugdenken aan dat piepkleine hummeltje, toen het nog maar net op de wereld was geworpen. Foetale nostalgie. Voor de vrienden en de familie die we minder zien (dat gaat zo in moderne tijden): enkele portretjes van de laatste weken (waaronder een met vriendinnetje Marion)…
Bij deze ook een welgemeende proficiat aan T. en E. en aan T. en T., ouders intussen van Nika en Milla.
Ik wil ze altijd meemaken, de grote momenten in het voetbal. De WK’s, de EK’s, de Europese bekerfinales en dus zeker ook de eindstrijd in de Champions League. Da’s wel eens iets anders dan het niveau dat vaak op de Belgische velden wordt vertoond. Dit jaar was het een puur Engelse finale, met de groten Manchester United en Chelsea tegenover elkaar. Mijn geliefd FC Barcelona ging onderuit in de halve finales, maar kom.
De finale had alles wat een tragedie in zich moet hebben. Gelijkspel, verlengingen en dan strafschoppen. Die penalties, da’s enerzijds een loterij, da’s waar, aan de andere kant zorgt het voor spanning ten top. Ook nu weer met een gelijkopgaande score, Ronaldo van ManU (wat een voetballer trouwens!) die mist en Chelsea dat er niet ten volle kan van profiteren. Want, John Terry, “Mister Chelsea”, moest zijn strafschop omzetten om de beker met de grote oren te mogen hijsen.
Maar hij miste, in alle tragiek. Zijn steunbeen gleed weg in de drassige, Moskouse weide. De bal schampte af op de paal, de victorie verdween. Later in de strafschoppenreeks ging de Londense ploeg helemaal ten onder, voor de zoveelste keer tegen de Mancunians. Ik ben dan meelevend met de vreugdevolle winnaars, maar voel ook de ondraaglijke pijn van de verliezer. In dit geval vooral John Terry, die daar voor de rest van zijn leven wakker zal van liggen.

Hij kon zich kronen tot de absolute held van zijn club, maar werd een antiheld, een getroffene van het lot, gebanbliksemd door de voetbalgoden. Pijnlijk tragisch, maar ook narratief sterk en naar de keel grijpend. Voerde Shakespeare zijn tragedies eeuwen geleden op, dan is de Champions League de nieuwe Shakespeare, het moderne volksvermaak. Treffend, meeslepend en de kampen verdelend in overgelukkigen en tot tranen toe bewogen verliezers. Zoals bijvoorbeeld Avram Grant, de coach van Chelsea, die met een lege blik en geslagen door het goddelijk oordeel de trappen van de tribune afdaalde. Leeg, verloren en uitgeperst.
Een complete dramatis personae. Voetbal is soms zo het equivalent van theater. Van goed en onvoorspelbaar theater dan wel.
Stemmen kunnen me beroeren en bedwelmen. Niet alleen zingende stemmen, maar natuurlijk ook de klank van sprekende mensen. Mijn radiofonische bezigheden zijn daar wellicht niet vreemd aan.
Ik zou graag eens kunnen catalogeren waarom ik eens stem mooi vind en waarom niet. Maar dat lukt niet, da’s nu eenmaal ook subjectief. Net zoals anderen mijn stem mooi, lelijk of gewoon vinden.
Maar gisteren begon het me te dagen, bij de tandarts zowaar.Toen ik iemand bezig hoorde met behoorlijk wat bas in zijn stem, een mooie ronde Gentse -r én vooral… een -k die warm klonk, als een druppel in een afwasbak die al vol water staat. Een erg mooie -k.
Net zoals ik hou van de Engelse “natte” -t, een warme -d, een Brabantse rollende -r of een mooi gevormde tweeklank zoals Eva De Roovere ze zingt. Ik heb die Eva De Roovere intussen al veel te veel gehoord op Radio 1, maar haar tweeklanken mogen er zijn. “Zuil van zout”, hoe zij het zingt, da’s pure esthetiek. Niet alleen haar tweeklanken mogen er zijn trouwens, maar we wijken af.
Bij deze: een mooie stem die me tot herhalens toe de naam “Oscar Kokoschka” wil toefluisteren, is welkom. Een oorgasme wellicht.
(Nog eens iets geschreven voor Gentblogt, ‘t was een tijdje geleden. Over de bekerfinale in het voetbal zowaar. Hier dus maar overgenomen.)
Het was 24 jaar geleden. Bijna een kwarteeuw dus was het wachten geweest op een finale. De finale van de Beker van België, de eindstrijd van de Cup, de kans om een ferme brok clubgeschiedenis te schrijven.
En dat het niet gemakkelijk was om er te geraken. Denk maar aan die kwartfinale, tegen die filoes van KV Kortrijk: 5-1 verloren op de Groeningekouter, maar in het Jules Ottenstadion hen ook wel een pak voor de broek gegeven met 4-0. En in de halve finale ging Standard eraan. Ahaa! Bradaboem! De kampioen van aan de Maas, de Luikse furie, de rabiate Rouches: 2-2 op Sclessin, maar 4-0 in Gentbrugge.
In de finale, daar waren ze dan, de paarswitte falanksen, de Brusselse trots, de rijken van Anderlecht. En dat ze eens een lesje moesten geleerd worden. Met die Gentenaars in hun rangen: Guillaume Gillet, Olivier Deschacht en Mbark Boussoufa. Zo de mensen uit de regio wegplukken (allez, Deschacht is dan wel vroeg gekocht, maar toch).
In bussen en met wimpels en gezangen trokken ze naar Brussel, naar de Heizelvlakte, waar ooit ongewild bloed heeft gevloeid, maar waar die zondag het bloed moest vloeien van de vijand. Nu ja, één goaltje meer was ook al goed, Gentenaars zijn vredevolle mensen, mijnheer. Wigwammen op grote wielen brachten de Buffalo’s naar de verre grote stad. Waar de indianendans zich kon voltrekken, die cowboys met paarse strepen uit hun saloons lokkend.

Foley! Een rake pijl! 1-0. Polak, een cowboy die te snel opdook: 1-1. Pardaf. Op voorzet van Deschacht. Na het halfuur, Olufade: twee keer knap bewegen, de koejongens in de wind gezet en de 2-1 binnen. Dan rusten, even aan de vredespijp lurken en dan weer de wei in. Voor wat een kwartier resultaatloos spel was, al had Fadiga, Zwarte Benenslingeraar, de 3-1 aan de voet. Maar de cowboys werken met palen, verdomd, da’s ook om je kas op te vreten. ’t Kon de beslissing zijn geweest.
En dan de rampspoed, de toorn van de verbolgen Melkbrigade, de bliksem op de tipi. Boussouffa, klein als een vlieg, maar alert als een poema met honger: hij kopt (je leest het goed, KOPT) de 2-2 binnen. En waar verdoemenis heerst, blijft de tijd duren. Gillet (die dan nog) maakt er 2-3 van, na een -we moeten eerlijk zijn- schittering van sierlijkheid van de kleine vlieg. En erg schril was de laatste fluittoon. Genekt door enkele gewezen Gentse indianen.
Weg de beker, weg de blinkende pot, weg de eer en het unieke moment. Artevelde draait zich om in zijn graf, de manke dans van een indiaan sterft uit op het Sint-Pietersplein. De droge woestenij maakt zich meester van de kelen. Schor geschreeuwd en droog geroepen.
De Buffalo’s hebben zich getoond, met de pluimen open ten aanval getrokken, maar het heeft niet mogen zijn. Nu nog die Preud’homme halen, Krullende Keeper, en niemand weet volgend seizoen nog wie Sollied, Norse Noor, ooit was. Wanneer de Buffalo’s de samba der indianen dansen. Ooit. Misschien.