Laatste reacties


Zomerse radio

Vandaag op de radio de legendarische Grote Prijs van Monaco mogen verslaan. Op de playlist van het programma (“Sporza” natuurlijk) stonden de eerste twee hierna volgende nummers. Liedjes die me op een of andere manier vrolijk maken. En zo zijn er nog wel enkele, ik heb ze maar bijgevoegd, zo direct een vijftal humeuroppeppers. Heerlijke deuntjes.

En ‘t doet een mens vragen stellen. Wat is er geworden van Nik Kershaw? En van Mano Negra en Manu Chao? Wat met Cyndi Lauper? Wanneer is Men at Work verdwenen? En what about The House of Love?

Een snelle blik op de geboortedatums van de genoemden leert dat ik dus over vijftigers bezig ben. Sjonge, ik word oud(er).

Geniet ervan! Van de zomer en de muziek!

Ravissant uit Reykjavik

Komende woensdag ga ik in de AB deze mens beluisteren, één van de nieuwe exponenten van de minimal music die me zo dierbaar is. Eén van de vele IJslandse speciale geesten ook. “Fordlandia” is zowat zijn meesterwerk, zijn nieuwste (“The miner’s hymns: United to obtain the just reward of our labour “) moet ik nog eens beluisteren eigenlijk. Maar nu al wat dromen…

Zweef gerust voort de rest van de dag…

Zomers gekleurd

Heerlijk zondags, Hawaïaans van toon, vind ik. Ukulele, mondharmonica, zomerse stem, frisse teneur… “Pencil full of lead”, bijzonder leuke song van Paolo Nutini.

Weylandt

Wouter Weylandt is niet meer. Vallen tijdens een afdaling is genoeg om het noodlot tegen te komen. ‘t Zijn een twintigtal intense uren geweest. Van de val, over de verschrikkelijke beelden tot de aankondiging van de dood. De duiding en de feiten, verdeeld over twee radiodiensten. Intens. Soms komt een mens liever niet op de radio. Echt.

Zeg me dat het niet zo is

Sinds mijn studententijd ben ik fan van Frank Boeijen. zijn diepe stem, zijn looks, zijn zwarte kostuums, zijn teksten. Zijn “Zeg me dat het niet zo is” is van he mooiste uit de Nederpop. Onlangs een versie gevonden waarin ie -ruim 20 jaar geleden- dat nummer samen zong met de grote Ramses Shaffy. Prachtig. Grijpt naar de keel.

Shaffy, intussen al anderhalf jaar overleden, is één van mijn vele helden. Superstem, non-conformistisch, niet bezig met uiterlijkheden, merken, verworvenheden of bezittingen, op en top podiumbeest, intelligent van aard, wars van conventies en dingen die je doet om je omgeving tevreden te stellen, ach, heerlijk. Karakter pur sang.

Ik heb op YouTube zijn laatste openbare verschijning gevonden, enkele dagen voor ie stierf, kapot van de slokdarmkanker. Maar hij wou nog piano spelen. Wat een mens, wat een stem, wat een persoonlijkheid, die geweldige Ramses Shaffy… Kippenvel, en zéér terecht!

Spiksplinter

Gisteren heb ik voor het eerst Hans Teeuwen live aan het werk gezien. En ik ben onder de indruk. Recensie ervan daar… en ook hieronder…

Hans Teeuwen: de komiek, de gek, het fenomeen

“Spiksplinter”, dat is de nieuwe show van Hans Teeuwen. Dan toch is hij teruggekomen op zijn besluit om geen theater meer te maken. Terug op de planken dus. En hoe. Raak, gevat en snedig als altijd, maar toch iets meer bedaard dan vroeger.

“Disco inferno” door de boxen van de Stadsschouwburg in Antwerpen. Het zaallicht dimt en je verwacht een rockband op het podium. Toch als je afgaat op het gejoel uit de tot de nok gevulde zaal. Teeuwen komt op, met die typische korte stapjes van hem, gekleed in een sober zwart pak en hij begint met het publiek te converseren. Sympathiek, vrolijk en minzaam. Hij zal de zaal bijna twee uur lang niet meer loslaten.

Teeuwens theater blijft onconventioneel en atypisch. Geen politiek correcte en maatschappijkritische beschouwingen, geen kadans van tekstje-liedje-tekstje, geen geoliede overgangen in tekst en decor. Neen, hij hakt en kapt nog altijd. Elke seconde loert de verrassing om de hoek. Teeuwen spreekt, fulmineert, stokt het tempo, knuffelt verbaal de zaal, vliegt plots naar zijn piano, begint aan een nieuw stukje, klieft een mening in tweeën en laat af en toe de halfgek in zich opkomen.

Halfgek of genie, het is bij momenten onduidelijk. Teeuwen bezit een scala aan talenten waar zowat al zijn collega’s jaloers op zijn. Hij heeft het charisma van een rockster, kan wonderwel acteren, zingt fantastisch, is ook zeer begaafd als pianist, heeft de mimiek van een clown, beweegt zo gecontroleerd als een turner én heeft een jukebox aan stemmetjes en typetjes in zich.

Wat passeert, zijn hilarische sneren naar Michael Jackson, naar de islam, naar minderheidsgroepen en naar wereldmuziek. Hij schetst zijn eigen hilarische sprookjesbos, zingt schlagers en blues, imiteert André Van Duin, lanceert een absurde reclamespot, kust een meisje uit het publiek, geeft zijn interpretatie van moderne dans en verklaart zijn liefde aan een grote gele knuffel.

Maar de inhoud staat soms in de schaduw van de vorm. Zijn woorden zijn hilarisch, scherp, doordacht en met een perfecte timing geplaatst, maar alles vervaagt bij het fenomeen op het podium. Teeuwen is nu eens lief, dan eens sexy, dan plots is hij de brullende man: de schuttingwoorden is hij nog niet verleerd, al gebruikt ie ze zelden of nooit gratuit. Hij is de roepende gek, de zachte verteller. Teeuwen toont het allemaal en palmt de immense zaal in. Het podium is op een piano na leeg, maar Teeuwen vult het volledig met zijn performance.

Want dat is het. Teeuwen is eerder performer dan cabaretier, eerder entertainer dan theatermaker. Teeuwen is het genre ontstegen en is een stijl op zich geworden. Zo eigen, zo specifiek. Meer dan ooit is ie samen met Theo Maassen dé vaandeldrager van zijn generatie komieken.

En het publiek? Jaja, wild enthousiast. Grotendeels rond de dertig, gul van lach, joelend en wild en terecht rechtstaand klappend op het einde. Een fenomeen moet je nu eenmaal koesteren en aaien. Want Hans Teeuwen is een publieksspeler met de trekken van een genie. En een gek. Als dat al niet hetzelfde is.

Maanziek

Ik mocht van de week op uitnodiging van Lunatic én comedian Joris Velleman mee kijken naar “Maanziek” in het NTG. Een voorstelling van de geestesgenoten Wouter Deprez, Wannes Cappelle en celist Frans Grapperhaus.

Zéér van genoten. Van wat voor een publiesksspeler en publieksbespeler Wouter Deprez toch is, van de geweldige, ja superbe in melancholie gedrenkte liedjes van Wannes Cappelle en van de charmante, in vier snaren verpakte Grapperhaus. Mooi, mooi, bij momenten kippenvel, gewoonweg een hele goede voorstelling.

Wouter vertrekt binnenkort voor een jaar naar Zuid-Afrika en grijpt deze show aan om zijn tijdelijk afscheid van de Vlaamse podia aan te kondigen. En propageert Wannes als zijn opvolger, alhoewel. Knap gedaan.

Nog leuker was dat ik achteraf met Wouter en Wannes had afgesproken. We kennen mekaar van in 2002, toen Wannes met zijn kompaan meedeed aan “Humorologie”, ik ook met mijn kompaan onder de koepel “Flegma”. Zij wonnen prijzen, wij niet, we waren ook maar pas begonnen en we zijn nooit zo heel ver geraakt, maar we hebben ons wel danig geamuseerd, dat wel. Fijn om nog eens samen te kouten, onder meer ook over kinderen. Ik heb intussen twee dochters, Wannes en Wouter hebben elk twee zonen. Een marriage arrangé kan, euh, gearrangeerd worden. Ook vriend Gili was erbij, kortom, la comédie profonde Flamande wat samen.

Leuk moment toen Wouter me begon te omschrijven. En zei dat er in het leven twee groepen zijn: enthousiaste mensen en niet-enthousiaste mensen. En “dat Peter toch wel een zeer enthousiaste mens is”. Een compliment.

Hartverwarmend om nog eens als jonge jongens samen te staan en te tetteren. En te overschouwen dat we -elk in ons vakgebied- doen wat we eigenlijk wilden doen. Min of meer. Jonge jongens, de leeftijd van dertig jaar al lang voorbij. Ik ben met een glimlach ingeslapen.

- Je kan “Maanziek” nog bekijken en beluisteren tijdens de Gentse Feesten in Vooruit, waar “mijn” Lunatics ook staan met onze “La guerre belge”…

Koffiebonen en mosterd

Ik heb het moeten leren, maar ik ben een liefhebber geworden van geuren en smaken. Geuren als daar zijn de geur van de nacht, Davidoff for Men, een bakkerij aan het werk, diesel, Italiaanse rode wijn, pepers, frietvet, drukwerk dat ruikt naar frietvet, een goed gebakken steak en zo meer.

Ik ben in de loop der jaren, ja, ik geef het toe een verslaafde geworden. Niet aan drank of drugs, wel aan koffiebonen en mosterd. Sinds enkele maanden hebben we thuis een op en top Italiaanse koffiemachine. Dat werkt op echte bonen en dat produceert de meest fantastische, lekkerste koffie. We kunnen die gelukkig vinden in één van dé speciaalzaken van Gent, de Mokabon, in die typische gele zakjes.

Heel af en toe, neen, heel vaak kan ik me niet bedwingen en graai ik in het bonencompartiment van de machine. En ruik aan de bonen en aan mijn vingers. Heerlijk is dat, simpelweg.

Idem met mosterd. Ik ben al jarenlang fan van harde smaken, van pikant, van fors, van stevig, van mét kloten. Ik zweer dan ook al jaren bij mosterd van Dijon (leuke stad, trouwens), al de rest vind ik maar flauwe kak. Tot een tijdje geleden vrouwlief thuis arriveerde met een potje Tierenteyn mosterd. Leek me niets voor mij te zijn want die mosterd met graantjes, ik ben daar niet zo voor.

Neen, ‘t was zonder graantjes, “schetekleur” (zoals een baby’tje in de pamper laat vallen). Geproefd en direct verkocht. Wat een smaak, wat een aroma, wat een lekker penetrante aanval! Gewichtheffers hebben de gewoonte om voor hun poging iets op te snuiven dat alle luchtwegen volledig open zet, wel, die moutarde komt in de buurt. Al-les open! Heer-lijk!

Op de Groentenmarkt in Gent heb je nog zo een typisch winkeltje, met typische Gentse lekkernijen. Met daarvoor het karretje met de even typische Cuberdons. Daar kun je ‘t kopen. Tegenwoordig -ja, verklaar mij maar zot- durf ik enkele lepels nemen, rechtstreeks uit de bokaal.

Mosterd en koffie, wat een combinatie. Laat het vooraf gaan door een spumante, nadien nog een goeie steak bien cuit en een limoncello en ik ben content. Echt.

Smakelijk!

28.2

Je moet dat eens doen. Als je van Gent naar Brussel rijdt, een traject dat ik heel vaak volg. Let eens op de kilometernoteringen en ergens ter hoogte van kilometerbord 28.2 moet je naar rechts kijken (da’s ter hoogte van Erpe-Mere). Van de snelweg weg, recht naar de glooiingen, de velden en de heuvels. Turen op de pure agricultuur.

Een schitterend beeld is het, altijd weer. Autostrades worden meestal omzoomd door muren van bomen, geluidswerende panelen en zo meer. Op de 28.2 is er plots een gat, een opening naar de wereld. En als je kijkt, zie je een beetje Toscane in Vlaanderen. Vanop de snelweg. Winter, zomer, ‘t is altijd een intrigerend beeld. Elke keer weer kan ik me niet inhouden, moet ik even lonken. Ik heb me al vaak moeten bedwingen, om mijn auto niet naar rechts te zwenken en een foto te nemen.

Moet je echt eens bekijken, die 28.2, mocht het je nog niet zijn opgevallen. En veroorzaak geen ongevallen, liefst!

Gefilmd in actie

Nu we allebei een smartphone hebben (de evolutie der dingen, nietwaar?) kunnen we nog sneller eens ons gedochterte filmen en voor het archief vastleggen. Mijn eega filmde dit, bij een routinebezoekje aan de kinderarts. Sien in full force. Ze stond al goed recht op haar 11 maanden, liep zowat op een jaar en is nu (bijna 15 maanden) al razendsnel te been. Ons komisch kleintje…

En dan afgelopen zondag, 1 mei, niet onbelangrijk met een socialistische mandataris in huis. Zij stapte mee op in de stoet en Janne (ook volledig in het rood getooid) mocht mee. En tijdens “De Internationale” (op de tweede rij) wist ze niet waar eerst gekeken, veel te veel te beleven…

Heerlijk doendig en bezig altijd, die twee…

Verveling wegjagen

Vanochtend op deze minder bekende parel van Jacques Brel gestoten: “Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient?”. Op de dag van de meiklokjes, op de dag dat het socialisme als beweging nog eens extra in de spiegel moet kijken én op de dag dat Johannes-Paulus II wordt zalig verklaard. Of hoe iemand die zijn job slecht heeft gedaan dan toch wordt bewierookt en een lift naar de hoogste hemelsferen krijgt. Ik snap het allemaal niet.

Wat Brel (weer eens) bezingt is zo ongelofelijk één van mijn levenshoudingen: Durf! Leef! Geniet! Doe! Handel! Word boos! Jaag je droom na! Onderneem! ‘t Kan je laatste dag zijn! Al die verveling, dat gemem, dat negativisme, die materialistische verzuchtingen, ik word er zo horendol van!

Zoals zo vaak is de tekst van Brel pure poëzie, dus bij deze…

Pourtant les hôtesses sont douces
Aux auberges bordées de neige
Pourtant patientent les épouses
Que les enfants ont pris au piège
Pourtant les auberges sont douces
Où le vin fait tourner manège
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient

Pourtant les villes sont paisibles
Où tremblent cloches et clochers
Mais le diable dort-il sous la bible
Mais les rois savent-ils prier
Pourtant les villes sont paisibles
De blanc matin et blanc coucher
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient

Pourtant il nous reste à rêver
Pourtant il nous reste à savoir
Et tous ces loups qu’il faut tuer
Tous ces printemps qu’il reste à boire
Désespérance ou désespoir
Il nous reste à être étonnés
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient

Pourtant il nous reste à tricher
Être le pique et jouer le cœur
Être la peur et rejouer
Être le diable et jouer fleur
Pourtant il nous reste à patienter
Bon an mal an on ne vit qu’une heure
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient