Laatste reacties


Hypes

Een supermarktketen biedt een héél gewild en bijna onkoopbaar trappistenbier aan en dat beheerst direct alle gesprekken, zelfs op de radio.

Doet me denken aan een verkoper van computers en aanverwanten (want dat was ie uiteindelijk) die goddelijke allures krijgt toebedeeld na zijn dood.

Los van bedenkingen over hypes denk ik dan vooral dat de economische crisis toch nog lijkt mee te vallen in onze contreien.

Alzheimer light

In twee dagen tijd nu al drie mensen die me enthousiast begroeten en die ikzelf niet direct kan plaatsen (en ik noem mezelf een gezichten- en namenspecialist).

Na verloop van tijd valt de euro wel, alhoewel, die ene, daar twijfel ik nog over. Was dat nu die ex-klasgenoot die nu commissaris is? Ex-collega van bij IBM? Toch iemand uit de media? Grijs geworden zeg, oud ook!

Gênant allemaal toch.

Oneindig, blijkbaar

Vorig jaar was voor ons een rampjaar, op zijn minst. Mijn schoonzus en schoonvader hebben we moeten afgeven, het amper twee maanden oude kindje van zeer goede vrienden ook. Intussen was er wel onze Sien, die zeer veel goed maakte. En maakt.

Dan denkt een mens, dan hoopt een mens dat ie er vanaf is. Dat ie genoeg gestraft is. Bijna een jaar na het overlijden van Raf, mijn schoonpa die ik zo mis, keert de wereld zich weer tegen ons.

Jeannine, mijn schoonmoeder, had iets aan haar darmen en dat is geëscaleerd. Het hele relaas

We kunnen nu alleen maar hopen dat alles nog normaal verloopt en dat alles vooral goed afloopt. Die dramatische wendingen op het einde, ik heb ze even helemaal gehad. Er is een zekere beterschap merkbaar (gisteren hadden we niet veel hoop meer, dus we gaan erop vooruit), maar toch…

Geen zin meer in rampverhalen. We zijn leeg en onze tranen zijn op. Hopelijk, hopelijk…

Update: Ik wil bij deze ook de vriendelijkheid en empathie van velen bedanken. Vrienden die bellen, die aan de deur staan, die langs andere wegen steunen, die aanbieden om op Janne en Sien te passen, mijn collega’s ook die zeer meelevend waren…

Weylandt

Wouter Weylandt is niet meer. Vallen tijdens een afdaling is genoeg om het noodlot tegen te komen. ‘t Zijn een twintigtal intense uren geweest. Van de val, over de verschrikkelijke beelden tot de aankondiging van de dood. De duiding en de feiten, verdeeld over twee radiodiensten. Intens. Soms komt een mens liever niet op de radio. Echt.

Verveling wegjagen

Vanochtend op deze minder bekende parel van Jacques Brel gestoten: “Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient?”. Op de dag van de meiklokjes, op de dag dat het socialisme als beweging nog eens extra in de spiegel moet kijken én op de dag dat Johannes-Paulus II wordt zalig verklaard. Of hoe iemand die zijn job slecht heeft gedaan dan toch wordt bewierookt en een lift naar de hoogste hemelsferen krijgt. Ik snap het allemaal niet.

Wat Brel (weer eens) bezingt is zo ongelofelijk één van mijn levenshoudingen: Durf! Leef! Geniet! Doe! Handel! Word boos! Jaag je droom na! Onderneem! ‘t Kan je laatste dag zijn! Al die verveling, dat gemem, dat negativisme, die materialistische verzuchtingen, ik word er zo horendol van!

Zoals zo vaak is de tekst van Brel pure poëzie, dus bij deze…

Pourtant les hôtesses sont douces
Aux auberges bordées de neige
Pourtant patientent les épouses
Que les enfants ont pris au piège
Pourtant les auberges sont douces
Où le vin fait tourner manège
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient

Pourtant les villes sont paisibles
Où tremblent cloches et clochers
Mais le diable dort-il sous la bible
Mais les rois savent-ils prier
Pourtant les villes sont paisibles
De blanc matin et blanc coucher
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient

Pourtant il nous reste à rêver
Pourtant il nous reste à savoir
Et tous ces loups qu’il faut tuer
Tous ces printemps qu’il reste à boire
Désespérance ou désespoir
Il nous reste à être étonnés
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient

Pourtant il nous reste à tricher
Être le pique et jouer le cœur
Être la peur et rejouer
Être le diable et jouer fleur
Pourtant il nous reste à patienter
Bon an mal an on ne vit qu’une heure
Pourquoi faut-il que les hommes s’ennuient

Kuchen en hoesten

Het is me wat geweest al. Vorige week ging ik met vriend D. kijken naar “Lucifer”. Tekst van (Joost van den) Vondel, geënsceneerd door Theater Zuidpool. Met Koen van Kaam, Sofie Decleir en haar vader Jan Decleir op het podium.

Een behoorlijk zwaar stuk, tekstueel dan toch. Behoorlijk barok en niet zomaar weg te happen. Maar goed gedaan, mooi uitgewerkt met levensgrote poppen die door de acteurs manueel werden “bediend”. Met (alweer eens) een indrukwekkende Jan Decleir. De man is een levende legende, maar ‘t is niet zomaar, hij is gewoon een acteur opgetrokken uit klasse en kunde.

Vreemd genoeg voer ie -tamelijk op het einde van het stuk- uit tegen het publiek. Dat “theater net als muziek ontstaat uit stilte”, dat ze als spelers “vergast werden op een grof concert van kuchen en hoesten”. Zoiets. Ik zat wat perplex in mijn pluchen zetel, door te zien hoe Decleir letterlijk uit zijn rol stapte om het publiek te berispen. Ik wist niet wat ik er mee aan moest, een absolute held van mij had mij doen schrikken. Terwijl er -mijns inziens- niet echt al te veel gekucht en gehoest was.


(foto: Leo van Velzen)

Enfin, het weze zo, dat gebeurt nu eenmaal in het theater, ik had het meegemaakt en einde verhaal. De dag erna spookte de scène nog door mijn hoofd en zette ik volgende status op mijn Facebook-account: Ik zag gisteren een weer eens indrukwekkende Jan Decleir in “Lucifer”, maar de mythe is toch wat ineengestuikt. Hij begon te razen op het publiek (over kuchen en hoesten en theater vanuit de stilte) en ik vond het precies niet gepast en onterecht. Dubbel. Jammer.

Plots kreeg ik telefoon van een journalist van “Het Nieuwsblad”, die mijn status had gelezen via een collega van hem, een FB-vriend van mij. Of ik daar iets meer wou over zeggen. En getuigen. Wat ik ook deed, voor wat het waard was. Als ie maar zou vermelden dat ik het stuk schitterend gespeeld vond. En dat de acteurs veel applaus kregen.

Het kwam ook zo in de krant. Maar daarna rolde de sneeuwbal voort. Zelfs ik, journalist zijnde en de media toch een beetje kennende, werd enorm verrast door wat één getuigenis en één artikel teweeg kunnen brengen.

Plots kreeg ik telefoontjes van her en der om nog eens te getuigen en alles te duiden. Wat ik telkens afwimpelde, ik had mijn ding gezegd, het was/is ook geen staatsdrama en meer adem moest daar niet aan verspild worden. Uit reacties in mijn mailbox en op mijn Facebook bleek dat Decleir wel vaker eens om stilte vraagt in zijn voorstellingen. Alleen al in deze “Lucifer” heeft ie blijkbaar hetzelfde gedaan in Heusden-Zolder, Leuven, Strombeek-Bever, Sint-Niklaas en nog wel op wat plaatsen. Een gimmick? Een constante? Een gevoeligheid?

Wat de dagen nadien is gebeurd, tartte mijn verbeelding. De Gazet van Antwerpen citeerde me plagiërend zonder me ooit te hebben gebeld, “De Morgen” pakte uit met een groot artikel over collega-acteurs die Decleir steunden, het item geraakte zelfs in “Peeters en Pichal” (die me blijkbaar ook citeerden zonder dat ze mij, een collega toch, eens hadden gebeld). “Man bijt hond” wijdde er een stukje aan en ik hoorde nu ook dat “Reyers laat” het onderwerp heeft aangegrepen.

Ik zit er zeer mee verveeld. Of Decleir nu gelijk had of niet om die avond in het NTG zo uit te halen, feit blijft dat ik hem bewonder en dat ik het beste van het beste heb gezien door hem. Ik ben al langer dan 15 jaar een trouw theaterbezoeker, ik heb honderden stukken gezien, en wat hij telkens deed was geweldig goed. Ik herinner me zijn vertolking in “Meneer Paul” van de Blauwe Maandag Compagnie (nooit vergeet ik dat ik toen amper één dag samen was met mijn toenmalig lief, mijn huidige vrouw, we schrijven werkelijk 15 jaar geleden). Ik herinner me vooral ook zijn vertolking van Risjaar Modderfokker den Derde in “Ten Oorlog” van Tom Lanoye, waar ie het laatste kwartier tot bloedens toe de zaal plat speelde, een monoloog zoals ik er nooit meer één heb gezien. Los van zijn vele superbe vertolkingen in films.

Enfin, ik ben een fan en vind het een beetje gênant dat een opmerking van mij een kleine hetze heeft ontketend, een item van enkele dagen is geworden “in de media”.


(foto: cobra.be)

Leert me drie dingen…

Ten eerste de macht en invloed van Facebook, wat een nieuwsbron op zich is geworden.
Ten tweede dat ondanks politieke strubbelingen in ons land en het feit dat Noord-Afrika en de Arabische regio in brand staan er blijkbaar toch geen nieuws genoeg is.
Ten derde, dat kranten en andere media niet te verlegen zijn om onderwerpen van elkaar in te pikken. Zomaar, om te vullen. En te citeren hoe en wie zij willen. Vreemd.

Ik mag dan journalist zijn, mijn eigen habitat blijft me verrassen. Deze keer toch ietwat onaangenaam. Enfin, zoals zoveel nieuwtjes is dat iets van gaan en komen. Over enkele dagen weet niemand het nog. Is het overgewaaid. Denk ik. Maar ik heb weer bijgeleerd.

O ja, mijnheer Decleir, mag ik Jan zeggen trouwens? Ik vind je nog altijd steengoed. Ik vond je uitval vorige week in die prachtige schouwburg in Gent gewoon wat vreemd. Maar het volgende stuk waarin je speelt, kom ik met veel graagte weer bekijken. Omdat je van een heel apart en alleenstaand kaliber bent.

Einde, wat mij betreft.

Angry older man

Ik zit al meer dan een week te sikkeneuren op dit postje. Doen, of niet? Dus wel. Niet het vrolijkste van mezelf, m’enfin. Omdat iets me van het hart moet. Omdat schrijven therapeutisch werkt. Omdat dit mijn persoonlijk (weliswaar openbaar) dagboek is. Omdat ik het toch eens moet zeggen. Inhouden heeft geen zin, braken is beter dan slikken.

Feit is dat ik al enkele weken niet langer mijn vrolijke zelf ben. De reden is niet ver te zoeken: vorig jaar was een rampjaar voor mijn vrouw, omgeving en ik. Drie mensen afgeven die je dierbaar zijn, in amper twaalf maanden tijd, het doet wat met een mens. Oké, ook intussen een kleintje bijgekregen dat het zeer goed doet, net als dat ander heerlijk meisje in huis. Niet te vergeten. Opbeurend en ‘t heeft en ‘t geeft zin. Maar enkele mokerslagen doen iemand sterretjes zien, ook bij “sterke karakters” zoals mijn eega en ik. De puist heeft een jaar gegroeid, ze is nu opengebarsten. En etter is lelijk. En stinkt. En stoot af. Het weze zo.

Een onomstotelijk feit is dat ik minder lach tegenwoordig. Ik betrap mezelf erop dat ik me aan alles en iedereen erger. Dat de kleinburgerlijke besognes en materialistische nulliteiten me mateloos de gordijnen injagen. Dat ik me soms alleen voel. Dat ik mijn passie, zijnde comedy, verwaarloos. Dat ik mijn naasten en vrienden wellicht ook wat in de kou laat staan. Ik ben in plaats van een bolide met snelle reactie- en injectiemotor een aftandse, trage diesel geworden. Die roet spuugt. En vitriool.

Ik erger me de pleuris aan wat ik dagelijks rond me zie. Slijmballerij en gatlikkerij. Opportunisme en halfslachtig vermomd geneuzel. En dat net die kwalen vaak de sleutel blijken te zijn “om er te geraken”. Ergerlijk. Ik kan dat niet, ik ben een slechte leugenaar. Liever de naïeve Don Quichot dan de vileine Don Corleone. Ik wil niet mee in de mallemolen, ik bezit liever mijn eigen malle kindermolen, met plezante figuurtjes en leuke deuntjes, wars van conformisme en zo-moet-het-nu-eenmaal. Ach wat, wie zegt dat? En als je daar dan gehoor aan geeft, ben je dan niet grijs en nauwelijks betrokken? Of is grijs een eeuwige modekleur?

Ik zie combines die er geen zijn. Ondanks veel steun en vriendschap en gehoor, ik heb veel vrienden. Veel oren. Veel vangnetten. Maar uiteindelijk, moet je niets alles zelf beredderen en oplossen? L’enfer, c’est les autres. Ik eis te veel van mezelf. En bijgevolg van iedereen.

Ik twijfel aan alles en trek alles in twijfel. Ik sla heen en weer tussen koele ratio en ongebreidelde vulkanische emotionaliteit. Ik sakker en mekker. Ik catalogeer onnodig veel en schrijf af waar het niet nodig is. Ik wil meer en beter en veel. Ik wil alles, nu of nooit.

Het ideale scenario is duidelijk. Mijn boeltje pakken, mijn drie vrouwtjes mee en weg. Weg. Ver weg. Buitenland. Zon. Onbekenden. Nieuwe horizonten. Onbekende plekjes. Tijd om te denken. Te ordenen. Te doen. Enkele maanden. Huis zo laten, vrienden in stoppen voor een tijd en elders naartoe. Met een minimum aan communicatiemiddelen. Narcismebook Facebook, Splitter Twitter (wat ik sowieso al niet doe), Jail Mail, … Niets van dat. Enkel wat telefoon (voor sommigen al een onoverkomelijke drempel) en desnoods een envelop met een brief in. Met een poststempel die uitgelopen is door de woedende en geselende regen in Belgenland. Of Vlaanderland. Of Absurdistan.

Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren (dank je, Willem). Vooral dat laatste. Sabatten kost centen. Ik ben de eerste -al sinds ik werk- om niet in te zitten met mijn rekeningsaldo. Gewoon ervoor zorgen dat je rond komt, dat je kinderen en vrouw het goed hebben en meer doet niet ter zake. Wie weet ben je morgen dood en daar staan die getalletjes dan. Verweesd en uitgerekend, niet van tel en hopeloos weggecijferd. Maar zomaar eventjes weg van alles, neen, kan ik niet. Gaat niet. Realiteit. Waarheid. Naakte waarheid. Confronterend naakt. Niet eens functioneel.

Geen optie, die exodus. Ik moet er zijn en blijven. Ik ga dat ook doen. En strijdend (wat klinkt dit fout poëtisch en ouderwets revolutionair), desnoods tegen windmolens en winderige orakels, zo komen we er weer bovenop. Zeker van. Ik heb een missie, een doel, een ideaal, een principe. Ik heb nog principes, ha!

Waarom word ik nu plots zo’n hopeloos passé angry young man? Older man intussen. Nog zoiets: de tand des tijds die om zich heen bijt en kloven, gaten en littekens trekt. Nog eens 26 zijn, nog één keer zo, heel even… Te laat, gedaan, voorbij, voortdoen.

We komen er wel, zeker weten. Liever snel dan traag, liever ooit dan nooit, liever met obstakels dan nooit geprobeerd. Ni Dieu, ni maître. Maar sta me vrijelijk toe dat ik dezer dagen heel even, even, soms, regelmatig, vaak eens wil roepen en schoppen. Omdat ik veel dingen beu ben. Behalve die dingen en die mensen die me heel nauw aan het hart liggen. En dat is toch nogal wat, kan ik zeggen. Best maar.

Om het met mijn eeuwige wijsgeer Jacques Brel te zeggen:

Il faut oublier
Tout peut s’oublier
Qui s’enfuit déjà
Oublier le temps
Des malentendus
Et le temps perdu
A savoir comment
Oublier ces heures
Qui tuaient parfois
A coups de pourquoi
Le coeur du bonheur

En als ik dan toch tijdelijk zou verdwijnen…

Moi je t’offrirai
Des perles de pluie
Venues de pays
Où il ne pleut pas

Ach, alles komt altijd goed, zeg ik altijd. Ik heb het niet van mezelf, ik heb het van elders, ik het het ooit eens gehoord, of ooit eens gelezen. Of het mezelf ooit eens ingebeeld.

Sta me toe dat ik deze traan van woorden pleng. Wellicht was ik nooit eerder zo duister. Ik ben à fond ook niet duister, ik ben gewoon moe, ben heel veel toestanden beu en ik wil dat het anders begint te lopen.

Met dank voor uw aandacht. Geen commentaren, noch wensen. We komen er wel. Leef toch je leven als het allerlaatste uur, zong Youp. Motto. Slagzin. Levenswijsheid. Welaan dan, op naar morgen, naar beter, naar voldoening.

Iemand nog een aperitiefje? AvantiEt demain est un autre jour

(en nu op Publish drukken, of ik durf het nooit meer…)

2011 en poging elfendertig

De voorbije maanden heb ik hier weinig geplaatst. Heel vorig jaar eigenlijk. Ik moest me vaak naar mijn blogje slepen om er iets op te zetten. Tja, dan liever niet. ‘t Moet leuk blijven.

En leuk was het vorig jaar allerminst. Ik heb veel te vroeg mijn schoonzus en mijn schoonvader moeten laten gaan. Elke is in januari heel plots overleden en je kan alleen maar hopen dat haar zo veel ellende is bespaard. Raf werd ziek op oudejaar 2009 en is goed een half jaar later ook al overleden, na een hevige en niet te winnen strijd tegen de vieze ziekte. Hij zo sterk als tien beren, maar langzaamaan uitgedoofd.

Ik heb veel van hem geleerd, ik had hem graag, ik zag hem graag en ik voelde dat dat omgekeerd ook zo was. Helaas, ik had nog zoveel glazen wijn te goed met hem, nog zoveel dolle gesprekken, nog zoveel hilarische discussies. Nooit meer. Een getalenteerde opa is weggevallen. Mijn gedachten gaan naar mijn schoonmoeder die haar huis ongewild zag leeglopen.

En op het einde van vorig jaar moesten we ook nog noodgedwongen afscheid nemen van het piepjonge dochtertje van goeie vrienden, ook metekindje van mijn vrouw, die zo wel tot drie keer toe een mep in haar mooie gezicht kreeg. In één verschrikkelijk jaar tijd. Annus horribilis.

Nu, in het voorbije jaar werd ook onze Sien geboren, die opperbest en wonderwel langzaamaan groeit en bloeit. Gelukkig maar. En Janneke doet het ook voortreffelijk, dat hebben we toch. Die twee zijn meer dan ooit mijn absolute heldinnen. Twee klaterende bronnen van geluk.

Professioneel mocht ik niet klagen: mooie en leuke dingen mogen doen op de radio, van “Het Besluit” een mooie versie kunnen maken. Daarnaast met mijn Lunatics een mooi jaar neergezet op het podium. En bovenal heb ik kunnen dobberen in een warm bad van veel vrienden. Zeker op momenten dat ik/we het kon(den) gebruiken.

Een mens mag niet zuur, verbitterd, duister of ongelukkig worden. Dat is ook niet mijn stijl. Maar meer dan ooit ben ik een bohémien in mijn kop geworden. Wat doen hebben en houden ertoe? Wat is bezit, status, titulatuur of aanzien waard? Niets. Ik raas maar door, meer en meer bekijkend wat de volgende dag brengen zal. Niet blind, niet stomweg. Mijn kinderen wil ik voorzien van toekomst, veel toekomst.

Meermaals heb ik me geërgerd aan de onwezenlijke besognes van sommigen, aan de materialistische kopzorgen van menigeen, aan het geneuzel over details, aan de petieterige onrust over de niet-dingen des levens (ook bij mezelf). Velen die amper of geen ellende hebben meegemaakt, beseffen niet hoe goed het hen allemaal vergaat. En gaan maar door in de drang naar meer. Rücksichtlos.

Neem het van me aan, alles kan in enkele uren tijd totaal omkeren. Geniet dan ook van de pure dingen des levens, van de échte waarheden. En die hebben meestal niets met bezit, status of bankstatussen te maken. Dit klinkt zo naïef wereldverbeterend. Maar neem ook dat van me aan, het is gewoonweg zo. Zonder tegenspraak. Dat waar de suffix “euro” niet achter staat, is vaak veel mooier.

Afgelopen jaar heb ik veel blogposts ingeslikt. Net als mijn geliefde, die vaak ook bepaalde tekstjes niet meer wou bloggen. Wat doet het ertoe? Wie heeft nu nood aan mijn/onze mening? Is er eigenlijk wel enig belang te koppelen aan dat wat je op een blog kwakt? Wat is het allemaal waard? Dat maakte dat ik veel ideetjes in mijn kop liet, hier niet publiceerde.

Maar in 2011 wil ik poging elfendertig wagen om “Het Radiofonisch Instituut” nieuw leven in te blazen. Omdat ik het eigenlijk graag doe. Omdat ik door het afgelopen jaar plannen heb afgevoerd, andere plannen heb gewijzigd. En nieuwe plannen heb gelanceerd. Ambitie, wil en gedrevenheid. In die bohémienkop van mij.

In de hoop dat gebeurt wat moet gebeuren. Een rustig jaar zonder incidenten. Zonder weerga. Zonder obstakels. Vloeiend en kabbelend en fris. Omdat ik blijf geloven dat uiteindelijk alles altijd goed komt.

Ik wens mezelf een topjaar toe. Met op de eerste plaats de drie meisjes in mijn huis. En ik wens het ook iedereen die me dierbaar is toe, en dat zijn er velen. Ik wens het u, beste lezer, ook toe.

Welaan dan… Op naar beter! En dat ze voor de rest mijn Glockenspiel kussen…

Adieu, Victoria

Victoria,

Het heeft niet mogen zijn. Er was iets fout in dat lichaampje van jou. Iets onherstelbaars. Wat ervoor zorgde dat echt goed leven voor jou nooit mogelijk zou zijn. Op 19 oktober kwam je ter wereld, goed twee maanden later nam je al afscheid. Met die fantastische ouders van je dicht bij jou.

Ik heb je nog even kunnen zien. Lien, jouw trotse meter ook. Met veel pijn in ons hart hebben we nog eens gekeken en gezwaaid. Het had zo heel anders kunnen zijn, maar in het leven heb je over sommige zaken niets te zeggen. Heb je geen invloed, hoe hard een mens het ook wil.

Nooit gedacht dat deze foto, die ik met plezier nam van je toen je nog maar enkele uren oud was, hier om die reden zou prijken. Wie denkt dat nu? Helaas, maar toch… Het is nu zo en daar moeten we mee voort. Voort in dat bijwijlen ellendig hard leven.

Victoria, slaap zacht. Droom zoet. Knipoog eens. En voor de rest van mijn leven denk ik aan je, zeker als de bladeren van de bomen mooi rood, bruin en vergeeld kleuren. Herfstkinderen zijn van de mooiste. Jij dus ook. Je hebt niet overwonnen, Victoria. Maar je hebt wel onze liefde gewonnen, kleintje.

Slaap zoet, droom zacht, Victoria.

Derden

“Het Braambos” op Radio 1, zo tussen het nieuws van 20 uur én de “Sporza”-laatavonduitzending. Uitzending door derden, zeg maar. Het is werkelijk hallucinant dat een dergelijke vorm van radio nog altijd een plaats vindt. “Uitzending door derden”, het klinkt zo wollig als drie gebreide wintertruien samen. Zo van die witten, met veel kronkelende slakken op. Hoelang blijft dat (derden)grapje nog duren? Zolang Carl Decaluwé dat waanzinnig goeie radio vindt zeker? Of hoe je luisteraars richting televisie en internet drijft…

Ontvrienden

Al opgemerkt? De tijd van mopjes allerhande en flauwe Powerpoint-presentaties lijkt zowat voorbij in menig mailbox. Enkele jaren geleden was het nog schering en inslag. Het mailverkeer kreunde eronder. Al heeft het fenomeen zich verplaatst naar Facebook, vol dwaze testjes, virtuele cadeautjes, een overload aan filmpjes en zo meer.

Facebook, toch iets aparts. Ik ken nogal wat mensen en heb daardoor een brede “vriendenlijst”, maar ik kuis daar af en toe in. Binnenkort nog eens. Criterium is simpel: of ik ken je, of ik heb al fijn met je samengewerkt, of ik heb al eens pint gedronken met je. Of een wijntje.

Zo niet, excuseer, toch elimineren. Neen, defrienden heet dat nu hip en modern. Facebook is nu eenmaal geen marketing tool voor mij, ik hou het liever overzichtelijk.

Ik ken al volk genoeg dat ik wil blijven zien, waarmee ik blijven vriendje wil mee zijn, waarmee ik wil blijven samenwerken of een pint mee pakken. Vreemden, hoe sympathiek ook vaak, die me verzoeken om op “bevestigen” te klikken, neem het me niet kwalijk dat ik het niet altijd doe.

Toch bedankt aan alle echte vrienden die ik heb. Ik besef dat dat een grote deugd is. En iemand die mee een pint gaat pakken?

Tank

Meneertje daar, hoog gezeten in je BMW X6. Vandaag op de E40 heb ik je weer zien joyriden en ik ben je al vaker tegengekomen onderweg. Mag ik eens even mijn gedacht zeggen? Even schelden?

Je blik, je rijstijl en vooral je auto op zich… Wat zeg ik? Auto? Neen, tank! Mag ik eens vloeken op je en zeggen dat je zeker een klein pietje hebt. In je bolide, surrogaat voor een fysisch tekort. Ook mentaal tekort. Een regelrechte aanslag ook op het milieu. Zo’n bak, is dat nu echt nodig? En vooral, zo’n macho gedrag in vijf vitessen, is dàt nodig?

Waarom bevestigen die rijders in appartementen op wielen alle clichés? Mag ik dat zeggen? Ja! Ik mag dat zeggen! Haal ze van de weg! En dat ze zich laten opereren!

Boos, ja…

« Vorig bericht