Hier zit ik dan. Leeg in het hoofd en vol van emoties. Straks moet ik mijn schoonzus ten grave dragen. Plots weggevallen, 35 pas, we werden koud gepakt en nog altijd hoop ik dat ik wakker word en dat ik weet dat het maar een vieze droom was.
Maar neen, realiteitsbesef is me niet vreemd. Ik zie enorm op tegen de uitvaart. Al dat gedoe, al die samengepakte emoties, al die pijn. Ik zie op tegen het feit dat ik een tekst ga lezen. ‘t Was mijn voorstel, een laatste ode aan Elke, ze verdient dat. En ik kan met mijn beperkte gaven niet veel meer dan een woordje plegen, dan doe ik dat maar beter ook. Maar ik ben bang dat ik stok, dat ik blokkeer, dat ik niet meer voort kan doen.
Zo lastig allemaal, zo pijnlijk. Het moest een tijd van blij uitkijken worden naar ons tweede kind, uitgerekend voor de 28e. Nu doorkruist een ramp alle vreugde. We hebben ons voorgenomen om op het moment zelf niet meer te treuren, dat kleintje verdient een enorm warm onthaal. ‘k Ben al blij dat Lien van de emoties niet vroeger is bevallen. Straks treuren we ons leeg, om dan het kind van de hoop te verwelkomen. Een cliché zegt soms dat als er eentje komt er ook eentje gaat. Hoe het leven verschrikkelijk bizar kan zijn.
Wat had ik al gesakkerd in december. Auto naar de vaantjes én een vakantie met vrienden die niet is gelopen zoals gewenst. Maar wat daarna gebeurde zette alles in de schaduw – materie stelt niets voor. Mijn schoonvader overleefde net een bloeding in zijn buik en moest daarna nog eens opgenomen worden. En er wachten hem nog operaties en een lange medische weg. Maar dat Elke dan moet verdwijnen, dat was er te veel aan.
Ik was al leeg na enkele maanden hard werken en vliegen en jagen, nu ben ik nog leger en eigenlijk wil ik een periode gewoon niets doen. Niet denken, niet doen, niet ondernemen, niet uit huis komen. Maar dat kleintje verplicht me tot meedoen. Niet nadenken, maar meedoen. Maar ik zal dat ook doen, uit nu al pure liefde voor dat nog ongeboren kind. Mag ik de goden of dergelijke vragen om die bevalling tenminste vlot te laten verlopen?
Ik had enkele dagen geleden een heel goed gesprek met een collega en goede vriend. Hij had ooit ook zo’n rampjaar en werd sarcastisch en cynisch. En zei me dat ik dat best ook wat mag zijn, ondanks mijn positivisme. ‘t Slijt wel, wist ie me te vertellen. Of een andere vriend die me zei dat het vanaf nu niet verboden is om “niet goed” te zeggen als iemand vraagt hoe het met je is.
De voorbije dagen hebben heel veel mensen hun steun en medeleven aangeboden. Per SMS, per mail, per telefoon, door bij ons thuis te komen… Deugddoend. Ik moet ook zeggen dat bepaalde mensen hebben gefloreerd in boertigheid, door gewoonweg te doen alsof hun neus bloedde. Wat zeg je op zulke momenten? Ik weet dat ook niet, ik ben daar ook slecht in, maar niets zeggen, tja, het heeft me veel geleerd. Over hoe onkundig sommigen zijn. Over de ego-cultuur. Over homo homini lupus. Over de relativiteit van alles.
Want dat heb ik me voorgenomen: ze gaan allemaal niet te veel moeten memmen over hun pietluttigheden en onbelangrijke feiten. Zonder een zure, norse man te willen worden ga ik meer nog op zoek naar het genot van het moment. Ik had dat al enkele jaren in mij, gelukkig, ik ga het nog meer doen. Wat zou ik me druk maken over hoe ik mijn bankrekening meer kan spekken? Wat kan het mij schelen dat ik geen flashy sportkar heb? Waarom zou ik me conformeren en een brave burger worden? Waarom zou ik censuur tolereren?
Ik zal de komende tijd wel erg kregelig worden als ik de mensen bezig hoor over die toch niet zo zachte biefstuk, over de slechte sneeuw in Avoriaz, over die foute tackle in match X, over de boter die weer 20 cent duurder is geworden of over de mindere aanbiedingen in de solden. Waar gaat het allemaal over zeg? Over dat vuil slijk, dat de warmte uit mensen zuigt?
Ach, laat ik vanaf hier maar mijn zuurtegraad weer naar beneden trekken. Maar ik bedoel maar, geen onnozele praatjes voor deze jongen de komende tijd. Tijd voor vrienden en plezier. Tijd voor (werktitel) Jip die eraan komt. Tijd voor Janneke, die groot wordt.
Nu eerst nog tijd voor Elke. Ons gruwelijk onttrokken, maar we gaan ze ook vrolijk uitwuiven. Met een glimlach. Of een grimlach.