Ik zit al meer dan een week te sikkeneuren op dit postje. Doen, of niet? Dus wel. Niet het vrolijkste van mezelf, m’enfin. Omdat iets me van het hart moet. Omdat schrijven therapeutisch werkt. Omdat dit mijn persoonlijk (weliswaar openbaar) dagboek is. Omdat ik het toch eens moet zeggen. Inhouden heeft geen zin, braken is beter dan slikken.
Feit is dat ik al enkele weken niet langer mijn vrolijke zelf ben. De reden is niet ver te zoeken: vorig jaar was een rampjaar voor mijn vrouw, omgeving en ik. Drie mensen afgeven die je dierbaar zijn, in amper twaalf maanden tijd, het doet wat met een mens. Oké, ook intussen een kleintje bijgekregen dat het zeer goed doet, net als dat ander heerlijk meisje in huis. Niet te vergeten. Opbeurend en ‘t heeft en ‘t geeft zin. Maar enkele mokerslagen doen iemand sterretjes zien, ook bij “sterke karakters” zoals mijn eega en ik. De puist heeft een jaar gegroeid, ze is nu opengebarsten. En etter is lelijk. En stinkt. En stoot af. Het weze zo.
Een onomstotelijk feit is dat ik minder lach tegenwoordig. Ik betrap mezelf erop dat ik me aan alles en iedereen erger. Dat de kleinburgerlijke besognes en materialistische nulliteiten me mateloos de gordijnen injagen. Dat ik me soms alleen voel. Dat ik mijn passie, zijnde comedy, verwaarloos. Dat ik mijn naasten en vrienden wellicht ook wat in de kou laat staan. Ik ben in plaats van een bolide met snelle reactie- en injectiemotor een aftandse, trage diesel geworden. Die roet spuugt. En vitriool.
Ik erger me de pleuris aan wat ik dagelijks rond me zie. Slijmballerij en gatlikkerij. Opportunisme en halfslachtig vermomd geneuzel. En dat net die kwalen vaak de sleutel blijken te zijn “om er te geraken”. Ergerlijk. Ik kan dat niet, ik ben een slechte leugenaar. Liever de naïeve Don Quichot dan de vileine Don Corleone. Ik wil niet mee in de mallemolen, ik bezit liever mijn eigen malle kindermolen, met plezante figuurtjes en leuke deuntjes, wars van conformisme en zo-moet-het-nu-eenmaal. Ach wat, wie zegt dat? En als je daar dan gehoor aan geeft, ben je dan niet grijs en nauwelijks betrokken? Of is grijs een eeuwige modekleur?
Ik zie combines die er geen zijn. Ondanks veel steun en vriendschap en gehoor, ik heb veel vrienden. Veel oren. Veel vangnetten. Maar uiteindelijk, moet je niets alles zelf beredderen en oplossen? L’enfer, c’est les autres. Ik eis te veel van mezelf. En bijgevolg van iedereen.
Ik twijfel aan alles en trek alles in twijfel. Ik sla heen en weer tussen koele ratio en ongebreidelde vulkanische emotionaliteit. Ik sakker en mekker. Ik catalogeer onnodig veel en schrijf af waar het niet nodig is. Ik wil meer en beter en veel. Ik wil alles, nu of nooit.
Het ideale scenario is duidelijk. Mijn boeltje pakken, mijn drie vrouwtjes mee en weg. Weg. Ver weg. Buitenland. Zon. Onbekenden. Nieuwe horizonten. Onbekende plekjes. Tijd om te denken. Te ordenen. Te doen. Enkele maanden. Huis zo laten, vrienden in stoppen voor een tijd en elders naartoe. Met een minimum aan communicatiemiddelen. Narcismebook Facebook, Splitter Twitter (wat ik sowieso al niet doe), Jail Mail, … Niets van dat. Enkel wat telefoon (voor sommigen al een onoverkomelijke drempel) en desnoods een envelop met een brief in. Met een poststempel die uitgelopen is door de woedende en geselende regen in Belgenland. Of Vlaanderland. Of Absurdistan.
Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren (dank je, Willem). Vooral dat laatste. Sabatten kost centen. Ik ben de eerste -al sinds ik werk- om niet in te zitten met mijn rekeningsaldo. Gewoon ervoor zorgen dat je rond komt, dat je kinderen en vrouw het goed hebben en meer doet niet ter zake. Wie weet ben je morgen dood en daar staan die getalletjes dan. Verweesd en uitgerekend, niet van tel en hopeloos weggecijferd. Maar zomaar eventjes weg van alles, neen, kan ik niet. Gaat niet. Realiteit. Waarheid. Naakte waarheid. Confronterend naakt. Niet eens functioneel.
Geen optie, die exodus. Ik moet er zijn en blijven. Ik ga dat ook doen. En strijdend (wat klinkt dit fout poëtisch en ouderwets revolutionair), desnoods tegen windmolens en winderige orakels, zo komen we er weer bovenop. Zeker van. Ik heb een missie, een doel, een ideaal, een principe. Ik heb nog principes, ha!
Waarom word ik nu plots zo’n hopeloos passé angry young man? Older man intussen. Nog zoiets: de tand des tijds die om zich heen bijt en kloven, gaten en littekens trekt. Nog eens 26 zijn, nog één keer zo, heel even… Te laat, gedaan, voorbij, voortdoen.
We komen er wel, zeker weten. Liever snel dan traag, liever ooit dan nooit, liever met obstakels dan nooit geprobeerd. Ni Dieu, ni maître. Maar sta me vrijelijk toe dat ik dezer dagen heel even, even, soms, regelmatig, vaak eens wil roepen en schoppen. Omdat ik veel dingen beu ben. Behalve die dingen en die mensen die me heel nauw aan het hart liggen. En dat is toch nogal wat, kan ik zeggen. Best maar.
Om het met mijn eeuwige wijsgeer Jacques Brel te zeggen:
Il faut oublier
Tout peut s’oublier
Qui s’enfuit déjà
Oublier le temps
Des malentendus
Et le temps perdu
A savoir comment
Oublier ces heures
Qui tuaient parfois
A coups de pourquoi
Le coeur du bonheur
En als ik dan toch tijdelijk zou verdwijnen…
Moi je t’offrirai
Des perles de pluie
Venues de pays
Où il ne pleut pas
Ach, alles komt altijd goed, zeg ik altijd. Ik heb het niet van mezelf, ik heb het van elders, ik het het ooit eens gehoord, of ooit eens gelezen. Of het mezelf ooit eens ingebeeld.
Sta me toe dat ik deze traan van woorden pleng. Wellicht was ik nooit eerder zo duister. Ik ben à fond ook niet duister, ik ben gewoon moe, ben heel veel toestanden beu en ik wil dat het anders begint te lopen.
Met dank voor uw aandacht. Geen commentaren, noch wensen. We komen er wel. Leef toch je leven als het allerlaatste uur, zong Youp. Motto. Slagzin. Levenswijsheid. Welaan dan, op naar morgen, naar beter, naar voldoening.
Iemand nog een aperitiefje? Avanti… Et demain est un autre jour…
(en nu op Publish drukken, of ik durf het nooit meer…)