Venster
Over een zondagsplaat gesproken zeg: “La fenêtre” van mijn absolute held, Yann Tiersen (uit één van zijn beste platen, “Rue des cascades”). Bloemen alom. En dansante. Had ik maar een fractie van die man zijn muzikaal talent…
Vivache, N. Bert, meme Dora, Het Radiofonisch Instituut [...]
Voorname voornamen-- Het Radiofonisch Instituut, Kaajee, Veerle, Anneleen [...]
Voorname voornamen-- Het Radiofonisch Instituut, super4004, Het Grote Verlangen » Blog Archive » Welkom Janne !, alcyon [...]
Over een zondagsplaat gesproken zeg: “La fenêtre” van mijn absolute held, Yann Tiersen (uit één van zijn beste platen, “Rue des cascades”). Bloemen alom. En dansante. Had ik maar een fractie van die man zijn muzikaal talent…
Mijn recentste status op Facebook… En ik meen het meer dan volledig!
Peter Decroubele ziet bij de eerste dagen van z’n tweede dochter één verschil: hij heeft het al herhaaldelijk gevierd met vrienden, lukte vorige keer niet – ziet één noviteit: dochter #1 gaat er geweldig mee om – ziet één bevestiging: zijn eega is een oermama. En los van het conceptuele: Mumford & Sons hebben dé plaat van het decennium gemaakt!
Mijn moeder gaf me de tip, ik wist niet eens dat dit bestond: “Sien” van de legendarische Toon Hermans. Blijkbaar nogal een verschijning moet dat geweest zijn. “Sien, laat eens zien, Sien, laat eens zien hoe mooi je bent!”, een liedje uit 1965 al.
Een poldermeisje bleek het, neurotisch noch exotisch, heel gewoon met veel allure, rood haar, barokke verschijning, hoorde bij Hollands Glorie, deed elke man duizelen. De tekst erbij gezet, want dat van die “oogappel”, klinkt me nu al bekend in de oren.
En plots wordt me duidelijk dat ik mijn dochters -toevallig- nogal Hollands geïnspireerd heb genoemd. Alhoewel, zo’n toeval zal dat nu ook weer niet zijn.
Ze heet geen Lola
Ze draagt geen stola
Maar wel een blauwe blouse met witte ruitjes
Woont in de polder
Ze slaapt op zolder
Daar doet ze alles op d’r boerenfluitjes
Ze is geboren
Daar bij het koren
Onder de sterren gaat ze wel eens wandelen
Ze heeft twee kleuren
Als bellefleuren
Ze geurt naar goudreinetten en amandelen
Ze heeft dat pure
Geen haute couture
Maar wat ze hebben moet dat heeft ze wel
En daarom, daarom roept er elke vrijgezel
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien hoe mooi je bent
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien hoe mooi
Sien, laat eens zien
Laat eens zien Sien, hoe mooi je bent
Sien, laat eens zien
Je bent mijn oogappel Sien
Die plattelandse
Moet je zien dansen
Dan zwaait ze driftig met haar rooie lokken
Ze heeft dat warme
Een tikkie Carmen
En ook d’r heupen hebben dat barokke
Ze heeft dat robuuste
Dat zelfbewuuste
En in d’r armen is het eeuwig lente
Als ze je kust dan
Wees maar gerust, man
Ze breekt je hart meteen in gruzelementen
Ze is niet exotisch
Ze is niet neurotisch
Maar wat ze hebben moet dat heeft ze wel
En daarom, daarom roept er elke vrijgezel
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien hoe mooi je bent
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien hoe mooi
Sien, laat eens zien
Laat eens zien Sien, hoe mooi je bent
Sien, laat eens zien
Je bent mijn oogappel Sien
Ze gaat niet tea-en
Ze kan niet skieën
Maar mensenlief, wat heeft ze een allure
D’r volle knieën
Zijn melodieën
Ze heeft d’r hele handel van nature
Ze heeft dat malse
Als ze gaat walsen
Dan gaat het mannenhart holderdebolder
Ze heeft dat verse
Van rooie kersen
Dat mooie hemellichaam uit de polder
Ze hoort potdorie
Bij Hollands Glorie
En wat ze hebben moet dat heeft ze wel
En daarom, en daarom roept er elke vrijgezel
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien hoe mooi je bent
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien
Sien, laat eens zien hoe mooi
Sien, laat eens zien
Laat eens zien Sien, hoe mooi je bent
Sien, laat eens zien
Je bent mijn oogappel Sien
Mijn oogappel Sien
Mijn oogappel Sien
Mijn oogappel Sien
Mijn oogappel Sien
Mijn oogappel Sien
Wachten is wat ik vooral heb gedaan de voorbije anderhalve week. Wachten op iets wat komen zal, maar je weet eigenlijk niet goed hoe of wanneer. Elf vakantiedagen kwijt in zekere zin, maar aan de andere kant heb ik ook wel degelijk die elfdaagse gehad.
Ik had en heb heel wat op mijn to do-lijst staan en daar zal eigenlijk maar een deel van gedaan zijn. Omdat je hoofd er niet naar staat, omdat je in andere sferen zit en ook wel door de turbulentie van de voorbije weken.
Maar ‘t heeft me een Gran Canaria in Gent bezorgd. Veel slapen (ik had precies wel wat in te halen), veel mentale rust, weinig ondernemen, enkel het weer viel minder mee. Veel kunnen samen zijn met mijn vrouw en dat is niet van onze gewoonte wegens agenda’s en van die moderne dingen. Veel samen geweest met Janne ook die haar laatste dagen als enige knuffelpop in huis beleefde. Ik vraag me af hoe bewust ze daarvan is. Ze was wel bewust genoeg om nu al de kleuren te leren en alles wat naar een bepaalde kleur neigt zo te benoemen. En ja, “groen” toont al een verdoken neiging tot een typische Gentse (schraap) -r.
Een dag als de afgelopen dag biedt dan ook leuke uitjes. Gewoon wat wandelen in de stad, fotootje trekken, hapje eten, muziekcollectie uitbreiden tegen batjesprijzen (Daan, Kings of Convenience, Absynthe Minded uiteindelijk, Massive Attack, Bram Vermeulen, Arsenal en Editors) en nadenken over hoe alles aan te pakken de komende weken. Leuk nevenfeit was en is hoe de blogosfeer, het Facebook-dom (of hoe noem je dat?) en de goeie ouderwetse vriendschap meeleefde. Tot op zeker moment, plots denkt iedereen dat er deze keer wél eentje zal blijven zitten.
Ooit moet dat kleintje de marathonzitting in de buik voor bekeken houden, ‘t moet wel voor één dezer dagen zijn zeker?
Dan nog enkele weken babybabablues en dan langzaamaan weer de serieuze dingen des levens en eens een puur rationele post. Een mens kan niet blijven in zijn purperen kasteel zitten…
Dan toch nog eens een zondagse plaat. Van de groep die me vorig jaar van mijn sokken blies, Mumford ans Sons. Marcus Mumford (al een tijd beslagen in folk en bluegrass in de Londense scene) en zijn drie kompanen die wonderlijke muziek fabriceren.
Opgenomen tijdens een akoestische sessie in een of andere boekhandel, vol gevoel, vol kunde. Ik zie nu al enorm uit naar hun optreden eind april in de AB. “The cave”, dames en heren.
Snuisteren in mijn archieven deed me inzien dat ik nog nooit iets van Fischer-Z heb gepubliceerd bij mijn zondagsplaten. Schaamte, kome over mij! Geen “Berlin”, geen “Marliese”, geen “So Long”, maar wél dit (tameijlk) onbekend pareltje: “Red skies over paradise”. Jongens, wat hou ik van het geluid van die groep! De eighties tot en met, ik blijf het zeggen, een zwaar onderschat decennium in de muziekgeschiedenis!
Dat de broers Neil en Tim Finn een liedekijn kunnen schrijven, dat weten we al langer. Even zaten ze samen in Crowded House, ten tijde van “Woodface” (denk aan “Weather with you”, “Four seasons in one day” en “Chocolate cake”). ‘t Leverde een dijk van een plaat op. Her en der hadden de broers zo nog hun nevenprojecten annex “samenprojecten”. Ooit kwam er een plaat van de toen zogenoemde Finn Brothers, “Won’t give in” is een staaltje van hun kunnen. Beatlesek, ietwat zeemzoeterig, maar ook een toonbeeld van gedegen songschrijverij. Lennon en McCartney revisited. Al zijn de broers die vergelijking wellicht kotsbeu. Geniet ervan!
Je kent het wel, “Envoi”, van Absynthe Minded. Je kent het wel, het is gebaseerd op één van de vele poëtische hoogtepunten van Hugo Claus zaliger. We gaan muziek en lyriek combineren: eest het clipje, dan de tekst. Mooi allemaal.
ENVOI
Mijn verzen staan nog wat te gapen.
Ik word dit nooit gewoon. Zij hebben hier lang
genoeg gewoond.
Genoeg. Ik stuur ze ‘t huis uit, ik wil niet wachten
tot hun tenen koud zijn.
Ongehinderd door hun onhelder misbaar
wil ik het gegons van de zon horen
of dat van mijn hart, die verraderlijke spons die verhardt.
Mijn verzen neuken niet klassiek,
zij brabbelen ordinair of brallen al te nobel.
In de winter springen hun lippen,
in de lente liggen zij plat bij de eerste warmte,
zij verzieken mijn zomer
en in de herfst ruiken zij naar vrouwen.
Genoeg. Nog twaalf regels lang op dit blad
hou ik ze de hand boven het hoofd
en dan krijgen zij een schop in hun gat.
Ga elders drammen, rijmen van een cent,
elders beven voor twaalf lezers
en een snurkende recensent.
Ga nu, verzen, op jullie lichte voeten,
jullie hebben niet hard getrapt op de oude aarde
waar de graven lachen als zij hun gasten zien,
het ene lijk gestapeld op het andere.
Ga nu en wankel naar haar
die ik niet ken.
(Hugo Claus)
Vorige week: ik was bezig wat filmpjes aan het opnemen, voor Sporza. Onder meer dit.
We wilden toen ook een filmpje maken met de schoonheid genaamd Evy Gruyaert. Leek te lukken tot we toch door een overijverige producer uit de studio van “De rode loper” werden gekegeld. Afijn. Enkele minuten daarvoor was ik plots met anderen dingen bezig.
Zag ik plots twee mensen door de gang lopen. Voor de kenners: de 1B-gang. De twee waren klein, dat viel me vooral op. En dat valt een zelf-klein-zijnde-mens altijd op. Soort zoekt soort, zoiets. Bleken het verdorie de zanger en de toestenist van Mumford and sons te zijn. Op 30 centimeter van mij. Die ik mis op Crossing Border, ik ben te laat (en de agenda zit vol).
En plots besefte ik hoe idolaat ik kan zijn. En wat zou mijn vrouw die toetsenman een schoon ventje vinden…
In navolging van de stijl van Mumford and sons van vorige week even wat schoonheid in een verpakking van countryfolk (is dat eigenlijk wel een genre?). Een simpel walske, meer moet niet, van Calexio: “Sunken waltz”.
Ter heil en ter vulling van deze blog, ik geraak er maar niet aan om te schrijven; maar er is beterschap op komst. ‘t Schijnt toch.
Eerder vandaag al een nummer dat me direct vastpakte, nu alweer zo eentje (per absolute uitzondering twee filmpjes op één dag, maar ik ben gewoonweg wild van die nummers). Mumford and Sons, heel Amerikaans klinkend maar zo British als ‘t maar kan zijn. Folkrock zoals de besten, ik denk heel even aan Sixteen Horsepower, Fleet Foxes, Arcade Fire en heel eventjes zelfs Counting Crowes. Die banjo zeg, dat is ver-ruk-ke-lijk! Hier krijg je energie van!
Heel af en toe word ik eens van mijn sokken geblazen als ik een nummer voor het eerst hoor. Dat was zo bij “Papillon” van Editors: die sound katapulteerde me direct weer meer dan 20 jaar terug, naar een muzikale era die ik eigenlijk niet echt bewust heb meegemaakt, maar met een geluid waar ik zo van hou. Depeche Mode meets Gary Numan meets VNV Nation en nog wat duisternis er bij. Groot nummer!