We hebben mijn schoonpa mooi, sereen en met een massa volk in de kerk kunnen begraven. Lien, haar broer en ik hebben voorgelezen in de dienst. Makkelijk is anders, maar we wilden dat absoluut doen. Voor Raf. Mijn tekst (andere de volgende dagen)…
Goede vrienden,
Ik wil eerst en vooral -namens de familie- iedereen bedanken die hier aanwezig is. Het is een zeer grote troost te beseffen dat in tijden van diepe ellende zoveel mensen meevoelen. Ik wil ook iedereen bedanken die hier niet kon zijn, maar met ons meeleeft. Ik wil zeker ook alle goede zielen bedanken die Raf de voorbije maanden hebben bezocht, die met hem hebben gepraat en die hem hebben gesteund. In zijn gevecht met zijn ziekte stond Raf niet alleen, maar je ziet, zelfs met het grootste leger kun je bepaalde vijanden nooit aan.
Raf,
Ik richt me tot jou, in de al dan niet ijdele hoop dat je dit hoort, dat je meeluistert met die typische schalkse blik van je. Mijn woorden zijn geschreven met een goed glas witte wijn erbij, de compagnon van veel van onze gesprekken. Urenlang hebben wij gepraat: over het leven, over de wereld, over het goede en het slechte van de mensen, over politiek, over de Kerk als instituut, over de pausen in het bijzonder, over onze naasten en over je o zo dierbare kleinkinderen.
Ik mis die gesprekken nu al. Wat zou ik zo graag nog één keer met jou aan een tafel zitten, het glas bij ons, in de lavende luwte van het vallende avondrood, barok en lyrisch uithalen, je hield er zo van. En maar declameren: non bis idem, vanitas vanitatum omnia vanitas est, een reus op lemen voeten, sic transit gloria mundi, we hebben alle hoge woorden erdoor gejaagd. En altijd weer schaterden we, overtuigd van ons gelijk, bewust van onze band, strijders tegen de ondergang van het avondland. Je was mijn schoonvader, ja, maar meer dan dat. Veel meer.
Meer dan veertien jaar geleden zag ik je voor het eerst. Lien gaf een fuifje en jij kwam ons halen in Gent, aan Liens kot. Je keek eens door de achteruitkijkspiegel, je priemde met je ogen en je vroeg: “Zoe da keun dak een moendje westvlams woare?” Ik was even sprakeloos, en je weet dat me dat niet veel overkomt en ik zei “Bajoat nji”. Het ijs was gebroken, voor altijd. Van dan af ben je altijd warm, open en vertrouwelijk geweest tegenover mij. Ging je niet akkoord met mijn Sturm und Drang, met mijn ambities of met mijn soms impulsieve beslissingen, dan liet je dat fijntjes vallen. En vooral, je bood alternatieven. Zo was je. Niet gratuit contra, neen, recht door zee, wars van conventies en uiterlijkheden, je hebt me deels gevormd in hoe je best in het leven staat. Een beetje dissident zijn vond je oké, je was dat zelf, maar je leerde me dat een rustige aanpak werkt, dat je altijd je hand moeten kunnen reiken naar het compromis. Da’s iets anders.
Anders was ook Elke. Ze is ons ontvallen goed vijf maanden geleden. Te vroeg, net als jij. Het wijst erop hoe onterecht alles soms loopt. Waarom gaan altijd de verkeerde mensen dood? De dood van Elke heeft je de definitieve slag gegeven, jij die onmetelijk veel hebt gedaan voor onze zus. Je overleefde al nipt oudejaar, maar dat onheil van Elke was er te veel aan. Het beest woekerde, een ongelijke strijd, een gevecht tegen een te sterke tegenstrever.
Wij wisten al snel hoe erg je er aan toe was, jij had het later ook door en van dan af heb je je nog een groter mens getoond. Je bleef optimistisch, wonderlijk vrolijk, jijzelf troostte je omgeving. Mensen van de palliatieve verzorging noemden je een vrolijke stervende, jij gaf die mensen moed om voort te doen, om ander behoeftigen te helpen. Je was de Samaritaan van jouw tijd.
Altijd weer. Als iemand je beviel, hielp je met hand- en spandiensten. Het huis van Lien en mij ademt jou. Zowat overal had je letterlijk een hand in, ik kan geen drie stappen zetten of ik zie werk van jou. Een totaalkunstwerk op zich. Ik ben blij dat je het resultaat van een eerste eigen project hebt kunnen zien. Ons terras. Je hebt het nog mee ingewijd, enkele dagen voor je dood. Met een glas bubbels. Het smaakte niet meer, maar je zat er nog een laatste keer piekfijn bij, de duim omhoog, de goedkeurende lach om je mond, Sientje op jou, vrienden van ons er bij, je had dat zo graag. Mooi dat dat ons nog is gegund.
De dagen daarna heb je je leven afgewerkt. Je kinderen en kleinkinderen nog gezien, Marjan en ikzelf ook, Jeannine erbij die je wonderlijk heeft verzorgd en bijgestaan, de voor jou zo belangrijke foto met al je broers en zussen gemaakt, vrienden gesproken en dan was het genoeg voor jou. Je bent stilletjes weggeglipt, met een t-shirt naast je. Met daarop de namen van je vier kleinkinderen, je zotte konijnen, je bent erin opgebaard, je hebt je kleinkinderen meegenomen, op textiel, maar in je hart.
Raf, we gaan niet zwartgallig doen, dat wil jij niet, je was een té vrolijke mens. Prominent, opvallend soms, lachggraag en extreem sociaal. Gezegend ook nog met een goeie zangstem, “De Welgezinden” verliezen een sterkhouder. We doen voort, wij vijven. Om je kleinkinderen te vertellen hoe en wie je was want zij zullen weinig of niets herinneren van je. Maar we zullen hen je leren kennen, in woord en daad. En we gaan Jeannine steunen zoveel als mogelijk want we willen haar er nog heel lang bij.
Raf, je behoort tot mijn select kransje van helden, en helden neem ik altijd mee in mijn hoofd. Ik had hier liever niet gestaan, of toch maar veel later. Maar het leven slaat en mept en heel soms zalft en heelt het. Met die zalf smeren we ons door het leven nu. En ooit zul je trots blinken, waar dan ook, omdat Jonas, Emelie, Janne en Sien er zijn geraakt. Laat dat onze missie zijn.
Raf, bedankt voor wie je was. Stap nu maar met Elke door jouw tuin van rust. En kijk af en toe nog eens achterom. Wij zwaaien wel, naar die goeie man, pa, schoonpa en opa. Mensen als jij verdienen gewoonweg heel veel applaus. Tot later, lieve Raf.