Ik keeg een mailtje met de vraag of ik zin heb om “informant” te worden op taalgebied. Het informantenpanel van Taaladvies.net zoekt wat nieuwe mensen, die op die manier dus advies geven aan de Nederlandse Taalunie.
Het gaat dan over -ik citeer- “iemand die in zijn adviezen de intuïtie van Vlaamse en Nederlandse taalgebruikers mee in overweging neemt”. Komt erop neer dat Nederlands Nederlands en Belgisch Nederlands tegenover elkaar worden afgewogen, als panellid kan je mee oordelen over teneur, tendens en evolutie.
Interessant, want een taal is in ontwikkeling, continu. Ik krijg jeukende puisten van dogmatici, regelneukers en linguïstische conservatievelingen. Een taal evolueert, verandert, gaat er desnoods op achteruit, maar beweging is er wel en die mag niet miskend worden. Regels en afspraken moeten, maar mogen geen doel op zich zijn, anders krijg je de dictatuur van de paardenbril.
Niet dat het zoveel werk is, niet dat het zo immens belangrijk is, maar ik voel me vereerd dat ik op een serieus niveau mee kan debatteren over de taal die me zo lief is. Dat zelfs een barokke mens als ik dat haalt, ha! En ik ben vooral blij dat wordt bemerkt dat niet alleen germanisten iets kunnen zeggen over taal. Dit gaat over gevoel, over aanvoelen, over meningen, niet over regels. Een niet-schoolse liefhebber als ik kan er maar van genieten.
Met dank aan taaladviseur (én kersverse hoofdredacteur van Van Dale) Ruud Hendrickx, die me de kans heeft gegeven.
Uitgelezen, eindelijk dan: “Komen & gaan” van Youp van ‘t Hek, één van mijn eeuwige helden én onderwerp van mijn thesis waarmee ik mijn diploma haalde dat zei dat ik volwassen ben. Een week lang zat Youp in een hotel aan het Parijse Gare du Nord. Zijn Parijs. Mijn Parijs.
Verhalen over herinneringen aan het Parijs van dertig jaar geleden. Parijs van nu. Over romantiek, schoonheid, verwondering en ergernissen. Hapklare filosofietjes. Geen wereldliteratuur, maar wel typische en dus rake beschouwingen van de man. Zinnen die gensters slaan, al zijn ze soms maar enkele woorden lang.
Als je eens een uurtje of twee over hebt, is het een aanrader. Al is het maar om met zijn universum kennis te maken. Eventjes. Leuk en treffend, zonder meer. ‘t Doet je nadenken, dat zeker.
Ik weet het, je moet er voor zijn, maar wat Hugo Camps in zijn sportcolumns in “De Morgen” allemaal uit zijn pen schudt, wel, ik vind dat wonderlijk.
‘t Is bijwijlen overdreven lyrisch, ‘t is vaak gelardeerd met klodders bombast, ‘t is vaak ver gezocht, ‘t is soms dubieus qua stellingname, ‘t is ook wel eens Mulischiaans erudiet (eventjes tonen wat ie kan en wat ie beheerst) en ja, het is vaak lijzig literair. En tot bloedens toe gestileerd. En soms grillig geplaatst heroïsch van toon.
Maar wil ik net ook zo zijn. Ach, was ik maar zo. Hugo Camps, ik vind dat een hele grote. Eigenlijk.
Ik was in mijn jeugd een boekenwurm. Ik heb toen “alles” van in de schoolbibliotheek van het toenmalige Sint-Jozefinstituut in Cortoriacum gelezen: Jan Terlouw, Thea Beckman, Evert Hartman, mijn eerste Herman Brusselmans, “De leeuw van Vlaanderen” van Hendrik Conscience, Bart Moeyaert, René Swartenbroeckx, R.H. Schoemans, de dagboeken van Adrian Mole door Sue Townsend, tientallen verhalen van Agatha Christie en zo meer. Ik was hongerig, gulzig, wou alles weten, alles lezen.
Rond mijn zestiende viel het wat stil en tijdens mijn tijd aan de unief ben ik opnieuw beginnen lezen. Met enkele kleppers die me hebben omver geblazen. “Kartonnen dozen” van Tom Lanoye, “Het proces” van Kafka dat ik geweldig vond, de ontdekking van Marcel Möring en vooral zijn “Het grote verlangen”. Ik herinner me ook hoe ik me dagen opsloot om “De naam van de roos” van Eco te nuttigen. De pracht van “Madame Bovary” van Flaubert, het ploegen in Shakespeare, het psychologische plezier door het werk van Alberto Moravia en dan vergeet ik nog Jean-Paul Sartre, echt, dat laatste vond ik een openbaring. Blij dat ik was dat de existentialisten zich blijkbaar in het zwart tooiden, toevallig ook mijn outfit die dagen.
Naderhand ben ik blijven lezen, natuurlijk, maar langzaamaan kwam het journalistieke in me op. Ik verslind nog altijd kranten, tijdschriften en magazines. Zeker kranten, het is een wezenlijk onderdeel van mijn bestaan als (sport)journalist. Maar boeken? Hmm, niet echt. Enkele jaren geleden maakte ik een jeugddroom waar door in mijn huis een grote bibliotheek te laten installeren. Mooi, in zebrano hout, op maat en gangvullend. Vol boeken, maar té veel ervan is nog altijd ongelezen.
Als ik de voorbije zes maanden overschouw, heb ik eigenlijk maar één roman gelezen: “Het derde huwelijk” van één van mijn absolute helden, Tom Lanoye. Goed, zeker dat, maar eens verteerd, kwam de honger niet terug. Maar kijk, ik ben nobel en goedmenend van bedoelingen en ik ga er iets aan doen. Onlangs heb ik nog eens wat boeken gekocht: David Van Reybrouck, wat Wim Helsen (vooral theatertechnisch interessant) en Koen Peeters.
Voorlopig zijn ze nog ongelezen omdat ik ook iets vond waar ik al veel goeds had over gehoord. Wat dan? “Het diner” van Herman Koch. De man is één van de drie mannen van Jiskefet, de Nederlandse absurde komieken die me al hebben doen krullen van het lachen. Zeker hun serie over “De lullo’s” vind ik nog altijd magistraal. Dat is -om het op zijn Hollands te zeggen- zo gaaf lekker lachen.
Enfin, terug naar Koch. Hij blijkt ook een begenadigd romanschrijver te zijn en ik hou me klaar voor zijn diner in literaire vorm, voor zijn intermenselijke beschouwingen, voor zijn schetsen van kronkels in de hoofden van mensen, vleesgeworden kronkels op zich. En wie weet overtuigt Koch me om weer meer te gaan lezen, in plaats van me onledig te houden met internet, televisie en ander grof vuil.
Ik weet nog te zeggen, te schrijven wat ik ervan vond. Van dat boek dat voorlopig al het nachtkastje heeft gehaald.
‘t Was Champions League-avond op de redactie. En alweer, alweer, alweer. Hoe komt het toch dat ik altijd “Cheslea” tik terwijl het “Chelsea” moet zijn? En da’s dus al jaren zo. Is dat een vorm van momentane dyslexie?
Zo stak het in het radionieuws daarnet: “In Boechout, bij Antwerpen, is filosoof Jaap Kruithof overleden. Hij doceerde lange tijd het vak moraalfilosofie aan de universiteit van Gent. Kruithof publiceerde ook veel over actuele maatschappelijke problemen. Als vrijzinnige lag hij mee aan de basis van het Humanistisch Verbond. Jaap Kruithof is 79 geworden.”
Professor Kruithof is niet meer. Het is één van die professoren van de toenmalige Rijksuniversiteit Gent waarvan ik nooit les kreeg. Gemist dus. Net zoals Etienne Vermeersch. Stommerik die ik ben. Ik kon toch gewoon langslopen in hun les, ook al waren dat geen verplichte vakken voor mij. Maar neen, ik had veel boeiendere en interessantere dingen te doen blijkbaar. Een snotjong was ik, onverstandig en nog niet rijp.
Ik zag hem voor het laatst ruim een jaar geleden, denk ik. Ik zie hem nog zo zitten. Op de bank, links als je binnen komt in het mij geliefde “Trefpunt” aan Sint-Jacobs. Ook zijn geliefd “Trefpunt” trouwens, hij werd onder meer daar legendarisch als debater. Toen ik hem zag was ie aan het praten, orerend, gesticulerend en overtuigend. Leek me een een zachte man te zijn, een lieve opa.
Ik moet eens iets lezen van hem. Ik struinde net in het audio-archief en ik kon nog een reportage over hem beluisteren (ze is ook hier te vinden). Over zijn verzamelwoede, zijn eigen museum in huis met pakweg 15.000 voorwerpen. Hij wou bewaren, collectioneren, niet weggooien en niet oeverloos consumeren. Een tegendraads iemand. Wat we best kunnen gebruiken in onze samenleving van volgers, kuddedieren en makke lammetjes. Hopelijk inspireert Kruithof nog vele studenten. Van hen moet de verbeelding komen. Dat vond ie zelf ook namelijk.
Leuk zeg: gevonden via De Papieren Man. Je kan nu enkele van de grote schrijvers uit de geschiedenis laten voorlezen uit eigen werk. Zo ook Gustave Flaubert die voorleest uit zijn geweldig boek “Madame Bovary”. ‘t Heeft iets, in zekere zin.
Ik zie het volgende lijstje nogal veelvuldig opduiken in de blogosfeer de voorbije dagen. Honderd dingen die je in je leven al hebt gedaan of niet hebt gedaan. Niet dat daar iets valt uit af te leiden op het gebied van levenskwaliteit of zo, maar wel leuk om in te vullen. Vetjes betekent dat ik het heb beleefd. Gewoon, “normaal”, wil zeggen dat het me misschien nog overkomt…
1. Started your own blog (evident) 2. Slept under the stars (met vrienden in de Ardennen) 3. Played in a band (niet noemenswaardig, maar met “The Trumpets” wilden we nochtans de wereld veroveren, met mezelve als zanger)
4. Visited Hawaii
5. Watched a meteor shower
6. Given more than you can afford to charity (gegeven, ja zeker, maar nooit meer dan ik aan kon)
7. Been to Disneyland (lijkt me niets, maar met een kind weet je maar nooit) 8. Climbed a mountain (menige berg en gletsjer in Oostenrijk)
9. Held a praying mantis 10. Sang a solo (meerdere keren in het improtheater en met mijn cabaretgroepje “Flegma”)
11. Bungee jumped 12. Visited Paris (meermaals, de laatste keer om mijn trouwfoto’s te trekken)
13. Watched a lightning storm at sea 14. Taught yourself an art from scratch (een heel klein beetje piano, maar met te weinig resultaat om erover te mogen pochen)
15. Adopted a child (ik steun Foster Parents, maar da’s niet echt adopteren) 16. Had food poisoning (zeker, sindsdien eet ik nooit nog pickels en ajuintjes)
17. Walked to the top of the Statue of Liberty
18. Grown your own vegetables 19. Seen the Mona Lisa in France (schoolreis naar Parijs) 20. Slept on an overnight train (jaaaah, de eerste reis met mijn toenmalig lief en huidige vrouw, richting Firenze, heer-lijk) 21. Had a pillow fight (wie niet?) 22. Hitch hiked (zij het maar enkele keren) 23. Taken a sick day when you’re not ill (jaren geleden, maar nog eens sorry) 24. Built a snow fort (niets kinderlijks is mij vreemd)
25. Held a lamb 26. Gone skinny dipping (voor het laatst op vakantie in de Provence)
27. Run a Marathon
28. Ridden in a gondola in Venice (wil ik wel nog eens doen)
29. Seen a total eclipse 30. Watched a sunrise or sunset (meermaals, ik herinner me Nerja, Algarve, Andalusië, Toscane…)
31. Hit a home run
32. Been on a cruise
33. Seen Niagara Falls in person 34. Visited the birthplace of your ancestors (ik kom er zelfs heel vaak)
35. Seen an Amish community 36. Taught yourself a new language (zelf een basis aan Italiaans ingestampt) 37. Had enough money to be truly satisfied (elke dag kus ik mijn pollekes dat ik niets tekort kom, er zijn er miljarden in de wereld die dat niet kunnen zeggen) 38. Seen the Leaning Tower of Pisa in person (één keer op reis met mijn lief, één keer op huwelijksreis met het lief dat mijn vrouw was geworden) 39. Gone rock climbing (met school en met mijn vader) 40. Seen Michelangelos David (ja, op de Piazza della Signoria in Firenze, al is dat maar een kopie) 41. Sung karaoke (specialiteit: “Daar gaat ze” van Clouseau, jaja)
42. Seen Old Faithful geyser erupt
43. Bought a stranger a meal at a restaurant
44. Visited Africa 45. Walked on a beach by moonlight (met vrienden tijdens nachtelijke escapades) 46. Been transported in an ambulance (jammer genoeg)
47. Had your portrait painted
48. Gone deep sea fishing 49. Seen the Sistine Chapel in person (enkele weken na de verkiezing van de nieuwe paus, ik ging er volledig in op) 50. Been to the top of the Eiffel Tower in Paris (wonderlijk)
51. Gone scuba diving or snorkeling 52. Kissed in the rain (ik weet nog zo waar en wanneer, de rest is privé)
54. Gone to a drive-in theater (véél theater gezien, maar altijd in een zaal) 55. Been in a movie (in een tv-serie eens, in een videoclip ook)
56. Visited the Great Wall of China 57. Started a business (tenminste als ik de vzw die ik voorzit als een business mag zien, wat het ook wel is)
58. Taken a martial arts class (lijkt me vreselijk)
59. Visited Russia
60. Served at a soup kitchen
61. Sold Girl Scout Cookies
62. Gone whale watching 63. Got flowers for no reason (bloemen gekregen, wellicht mét reden, maar allez) 64. Donated blood, platelets or plasma (ik heb mijn eega voor de tweede keer gezien bij het bloed geven, daarna was de bal aan het rollen, sindsdien nooit nog bloed gegeven eigenlijk)
65. Gone sky diving
66. Visited a Nazi Concentration Camp
67. Bounced a check
68. Flown in a helicopter 69. Saved a favorite childhood toy (mijn gele beer met groene broek en mijn aapje met de kapot geknabbelde oortjes)
70. Visited the Lincoln Memorial 71. Eaten Caviar (bwah, trekt op niets, zoals zoveel zogenaamde delicatessen)
72. Pieced a quilt
73. Stood in Times Square
74. Toured the Everglades 75. Been fired from a job (ja, al was het in “onderling overleg”) 76. Seen the Changing of the Guards in London (samen met vijf anderen, van wie drie ervan nog altijd mijn goeie maten zijn)
77. Broken a bone
78. Been on a speeding motorcycle
79. Seen the Grand Canyon in person
80. Published a book (ik hoop dat het er eens van komt) 81. Visited the Vatican (ik ga zelden nog een kerk binnen op vakantie, na de kathedraal van Sint-Pieters heb ik het mooiste en indrukwekkendste wel gezien) 82. Bought a brand new car (mijn huidige, dierbare Golf)
83. Walked in Jerusalem 84. Had your picture in the newspaper (comedy gedaan en aan het doen, tv gedaan, een vzw voorzitten én “in de media” werken, ‘t zou raar zijn dat dat nog niet gelukt was)
85. Read the entire Bible
86. Visited the White House
87. Killed and prepared an animal for eating 88. Had chickenpox (maar ik weet er niet veel meer van)
89. Saved someone’s life 90. Sat on a jury (jury’s voor comedywedstrijden en in auditiejury’s) 91. Met someone famous (ik interview nogal vaak bekende mensen, maar om nu te zeggen wereldberoemd, neen, niet zoveel, maar iemand als Eddy Merckx kan wel tellen eigenlijk) 92. Joined a book club 93. Lost a loved one (wie niet?) 94. Had a baby (mijn vrouw heeft Janne gebaard, maar ik ben wél een trotse papa)
95. Seen the Alamo in person
96. Swam in the Great Salt Lake 97. Been involved in a law suit (politierechtbanktoestanden, dwaas verhaal) 98. Owned a cell phone (hallo?) 99. Been stung by a bee (vorig jaar nog, op een terras in Temse) 100. Read an entire book in one day (ik herinner me “De naam van de roos” van Eco, “Het grote verlangen” van Möring, poëzie van Brecht en toneelstukken van Beckett)
Zo, een score dan: 48/100. Ik heb nog veel te beleven. Nog niet eens aan de helft van mijn leven en mijn belevenissen. Ik mag het hopen. Zo’n 80 jaar worden, het is toch een ambitie. Een stille hoop. Voor wat het waard is allemaal.
Update: Blijkbaar naast liften gekeken, ook gedaan dus. Alsnog 49/100.
Hij werd gisteren zowat overal gefêteerd, Jacques Brel. Op mijn geliefde Radio 1, in kranten en katernen, op heel wat blogs, her en der in Vlaanderen en Frankrijk… Ja, 30 jaar geleden stierf hij. Ver weg van waar ie kwam, geveld door wat men dan zo vaak een slepende ziekte noemt.
Jaren later vechten mensen voor zijn rechten, voor zijn muziek, claimen ze een link met hem en storten ze zich op zijn oeuvre. Een groot performer, ook al was dat Engels woord nog geen gemeengoed in zijn tijd.
Hij frappeerde mij van erg vroeg in mijn jeugd. Mijn moeder draaide zijn muziek, mijn grootmoeder (van Waalse afkomst) verheerlijkte hem, mijn ooms waren onder de indruk van hem. Wie niet? Ik zou een halve maandwedde veil hebben om hem nog eens levend en live aan het werk te zien. Maar in dit leven zijn er nu eenmaal onmogelijkheden, dat maakt het ook zo mooi.
Ik heb een box met zowat zijn hele oeuvre, ik las boeken over de man (onder meer elegieën van Johan Anthierens), ik beluisterde hem, met mijn cabaretgroepje gebruikte ik hem als inspiratie (mocht ik nooit gedaan hebben, blijf van de goden af!) en ik zat diep onder de indruk te kijken naar beelden van hem.
Een mooie man? In zekere zin wel, al was ie te robuust van kop, te verweerd door groeven en te doorwrocht om een sekssymbool te zijn. Maar als je over een X-factor spreekt (nog zo’n term die in zijn tijden niet bestond), dan heb je ‘t over hem. Een raspaardje, een topper, een absoluut fenomeen. De lyriek verweven met muzikale kunst, taaltovenarij gecombineerd met pure podiumprésence, stoppen op het hoogtepunt en dan weggaan en langzaam sterven. Het is enkel de allergrootsten gegeven.
Ruim drie jaar geleden ben ik getrouwd. Op zich niets belangrijks. Maar dan heb je een openingsdans nodig. En ik ontbreek en ontbeer veel talenten, waaronder dansen. Gelukkig was er en is er “La chanson des vieux amants”. Genoeg om enkel maar tegen elkaar te moeten schuifelen, genoeg om enkel mekaar vast te pakken. Simpel en goed. Nog altijd ben ik blij dat ik tot ter dood dat nummer kan aanhalen.
Zijn beste nummer? Ja, één van. Naast “Amsterdam”, dat fantastisch ontploft op het einde. Of “Quand on n’a que l’amour”. Het overmijdelijke “Ne me quitte pas”. En “Mijn vlakke land”. Dubbel pijnlijk omdat Le Grand Jacques geen sant was in eigen land, omdat ie werd uitgespuugd door de flaminganten, omdat ie de burgerij in het harnas jaagde, nét dat volk dat ie zelf verachtte. En toch dweepten ook zij – met hun mooie en dure auto’s, hun exquise gewaden, hun twijfelachtige statussen en hun lege retoriek – met de man van Zandvoorde, Brussel, Parijs en de Markiezeneilanden.
Idolatrie is me niet vreemd, maar is toch beperkt bij mij. Maar “Abbé Brel” (ooit schertsend zo genoemd door Georges Brassens) behoort er absoluut toe. Toe zing nog een keer, Jacques. Zing nog een keer. Zoals hij zei: “Ce qui compte dans une vie, c’est l’intensité d’une vie, ce n’est pas la durée d’une vie”. Ik geef hem groot gelijk. Liever intens, veel en snel, dan grijs, verlaten en onnodig lang. Ook al word je dan amper 50 jaar oud.
Brel was zanger, artiest, filosoof, dichter, egocentrist en toptalent. Een wereldster in de dop, maar 30 jaar geleden was de wereld niet de wereld van nu – schrijft een jongetje dat amper de 30 voorbij is. Bien sûr nous eûmes des orages…
Zo rond 13.10 uur. Ik krijg een SMS’je dat me vertelt dat Jean-Marie Gustave Le Clézio de Nobelprijs literatuur heeft gewonnen. Wie? En dat hij één van de favorieten was. Huh? Nooit van gehoord. Jawel, ik ben nu vanaf nu officieel een cultuurbarbaar!
Le Clézio? Eerder een naam voor een vileine, slippendragende handlanger van Louis XIV of zo…
Ik ben verrast over hoe er de voorbije dagen kabaal en ophef is gemaakt over het nieuwe boekje van Dimitri Verhulst, dat bij een onafhankelijk weekblad voor radio en televisie zit. Zowat alle media zijn er opgesprongen. Mij niet gelaten, literatuur moet gepromoot worden, maar toch vreemd.
De voorbije jaren zijn we toch gewend geraakt aan allerlei weggeefacties van kranten en tijdschriften? We zijn er toch bijna immuun voor geworden? Tegenwoordig vind je alles bij je leesvoer, op een krop sla, vuile onderbroeken en de rollen van de Dode Zee na dan. En nu plots lijkt het warm water te zijn heruitgevonden.
Beste Dimitri, het weze je zeer gegund, hoor (ik mag zelfs denken dat je al minzaam genoten hebt van zo’n promostunt). En ik ga je schrijfselen met veel interesse lezen, je stond al langer op mijn lijstje.