Levensvraag
Hoe komt het toch dat bepaalde vragen/mensen/feiten altijd tesamen komen en nooit met logische regelmaat? Boeiende tijden, dat wel…
Hoe komt het toch dat bepaalde vragen/mensen/feiten altijd tesamen komen en nooit met logische regelmaat? Boeiende tijden, dat wel…
Een supermarktketen biedt een héél gewild en bijna onkoopbaar trappistenbier aan en dat beheerst direct alle gesprekken, zelfs op de radio.
Doet me denken aan een verkoper van computers en aanverwanten (want dat was ie uiteindelijk) die goddelijke allures krijgt toebedeeld na zijn dood.
Los van bedenkingen over hypes denk ik dan vooral dat de economische crisis toch nog lijkt mee te vallen in onze contreien.
In twee dagen tijd nu al drie mensen die me enthousiast begroeten en die ikzelf niet direct kan plaatsen (en ik noem mezelf een gezichten- en namenspecialist).
Na verloop van tijd valt de euro wel, alhoewel, die ene, daar twijfel ik nog over. Was dat nu die ex-klasgenoot die nu commissaris is? Ex-collega van bij IBM? Toch iemand uit de media? Grijs geworden zeg, oud ook!
Gênant allemaal toch.
Tja, wat moet ik zeggen? En schrijven? Mijn laatste post dateert van bijna twee maanden geleden, bloggen is echt een detail der details geworden bij mij. Jammer, maar ‘k ga proberen de discipline en de goesting op te vijzelen – al heb ik dat al vaak gezegd hier.
Enfin, ik kan gelukkig zeggen dat in die twee maanden tijd mijn schoonmoeder goed vooruit is gegaan. Van intensieve, naar een kamer, naar een revalidatiecentrum, naar huis… Het komt goed, stilletjesaan.
In juli goed gewerkt voor de Tour op de radio en dan in augustus maar op vakantie getrokken. Met leuke en gezellige mensen en hun partners. Ietwat zwak festival muzikaal, het weer was ook maar zo en zo, maar wel een week lang genoten alweer van die heerlijke streek daar. En intussen gegeten met een ster (in alle betekenissen) in “In de Wulf”. Zoiets probeer je toch om de zoveel jaar eens te doen.
Nadien Umbrië verkend, mijn favoriete Italiaanse streek, met vrienden ook alweer. En met de twee meisjes die het fantastisch deden. Ook weer top, zij het dat ik er met een joekel van een dubbele oorontsteking ben geplaagd, verhalen van een spoedafdeling in een Italiaans ziekenhuis, immense doofheid… enfin, een vakantie met een dubieuze rand aan.
Afijn, de doofheid neemt stilaan af, het normale leventje keert terug. En hopelijk straks wat energie om wat posts in te halen, over de voorbije maanden. En over wat komen zal… Blijf lezen!
Dat het beter gaat intussen. Dat er vooruitgang te merken is. Dat het wel nog een lange tocht wordt, een kalvarie, een processie van Echternach, een revalidatie van hele lange adem. M’enfin, het grootste drama lijkt te zijn afgewend. Hopen maar nu…
En mogen we nu alstublieft voor lange tijd gevrijwaard worden van rampspoed? Het bakje is vol, helemaal vol!
Me nu de komende weken vooral bezig houden met de Tour op de radio, daarna hopelijk mijn twee geplande vakanties meepikken. En niet al te veel gedoe meer.
Ik zette dit op m’n Facebook: “Oordeel van juf Caroline na iets meer dan een jaar eerste kleuterklasje voor Janne: sociaal, lief en leuk kind, clever en een harde werker, maar wel nogal een willetje, ja, zelfs dominant te noemen. Waarom was ik niet verrast?”
We gingen/moesten/wilden naar het oudercontact en kregen te horen wat we hadden voorspeld. Onze oudste is niet onbesproken, is nogal een karaktertje, weet wat ze wil en manifesteert zich. Graag gezien, leuk kind, maar niet de makkelijkste. Soms té, vinden wij ook, maar ze heeft tenminste vista in haar bloed. De scherpe kantjes willen we er wel afvijlen, anders wordt het onaangenaam, maar kom, de jongedame stelt zich. Dat tenminste.
Janne is een heerlijk kind, een meisje met een wil en veel gedoe, die zich niet laat doen en duwt en trekt waar ze wil. Soms té. Soms te letterlijk. Maar ze gaat recht door zee. Maar o wee als ze ze een zoen niet heeft gekregen, of als een knuffel haar is onthouden.
En we hadden Sien mee, de jongste, en de jongedame baande zich (letterlijk) een weg doorheen de school, langs de gangen, langs de dames van de opvang. Zij is -denken we- zo mogelijk nog astranter, doordebakser, recht vooruit, ze moet ook opboksen tegen een oudere zus met pit. Het willetje spat soms haar uit haar kleine oogjes.
Ik heb -samen met mijn eega voor alle duidelijkheid- twee meisjes met fond, pit, wil, karakter, hoe je het ook wil noemen, gemaakt. We gaan ons dat nog beklagen, we zullen het ons nog heugen, dat ook.
Ze zullen lof ontvangen, maar ook banbliksems, omdat ze nu eenmaal niet altijd mee willen. Ach wat, de weg der mediocriteit is bezaaid met de stenen der meegaandheid. Ik vind het nu eenmaal bijwijlen leuk, ja uitdagend, ja lovenswaardig om wat tegen te spartelen. Ze zullen in hun levensloop al genoeg moeten knikken. Deemoedig. Omdat het moet. Omdat je dat vooruit helpt. Zwijgen is vaak beter dan spreken. Hoezeer ikzelf dat ook verafschuw.
Nu, weet je, we spreken over ettelijke jaren. Hopelijk zijn ze dan gevormd, gepokt, gemazeld, en geleerd. En zeg ik dat het een beetje excentrieker, anders, vrijer en specialer kon. Maar dat hun attitude hen vooruit zal helpen.
Janneke, volgend schooljaar iets meer meedoen, iets minder bazen en commanderen. En al de rest is rabarber, zoals een oom én mijn grootmoeder plachten te zeggen.
Ga maar, ga dan, wie houdt je tegen?
Van de week nu al twee keer Els Dottermans op televisie gezien, bij Marcel Vanthilt in zijn zomerprogramma én in de documentaire met haar prachtige vader (in de reeks “Mijn vader”, het stond nog te wachten op de digicorder). Al sinds mijn achttiende is la Dottermans zowat een godin voor mij. Ooit wil ik haar spreken en interviewen, bloednerveus zal ik zijn. Trouwens, hoe haar vader over zijn kinderen spreekt, hopelijk doe ik dat ook zo als ik zijn leeftijd heb…
Dottermans. Horen over spreken ten tijde van “Wilde Lea”, de poster ervan heeft jarenlang op mijn kot geprijkt. Liefjes die passeerden, moesten er op kijken. Ik zag ze later in “All for love”, in de film “Beck”. Meer nog, ik figureerde als jonge snaak in “Moeder, waarom leven wij?” en ik mocht in (het oude “vettekot” in) Kuurne net niet meespelen met haar. Ik speelde wel met Dirk Roofthooft samen, ook een held van mij. Maar ik zag haar, met haar toenmalige levenspartner Luk Perceval, samen met mij in de kleedkamer, in lingerie, jawel, voor een potente achttienjarige was dat alles.
Een deel van mijn licentiaatsthesis ging over de Blauwe Maandag Compagnie, waar Dottermans een absolute protagoniste was. Het intrigeerde mij en ik kon haar zo heel even van nabij volgen.
Ik ben haar blijven volgen omdat ze nu eenmaal een steengoede actrice is én omdat ze schoonheidsgewijs dartele dingen met me deed. Zeker meer dan de helft van haar werk op het theater heb ik gezien.
En nog altijd beroert ze mij, tien jaar ouder dan ik ben, maar een majestueuze vrouw, zoals ze is. Met haar vader zeg, een kruising (uiterlijk én van manier van doen) tussen mijn eigen vader én Jan Decorte, vind ik. Hoe die sprak over vader zijn van (vier) dochters, over de jongste, zijn zoon, die uit het leven is gestapt. En hoe vader en dochter naar elkaar keken. Goddelijk.
Zo wil ik over dertig, ja, veertig jaar ook bestaan. Zo kunnen spreken over mijn kinderen, in mijn geval mijn twee heldinnen, Janne en Sien. ‘t Zou mooi zijn, trouwens iets waar ik, hypochonder pur sang, mee bezig ben. Hoelang leef je, hoelang heb je? Wat zou ik nu direct tekenen om 80 te mogen worden, er dus nog net geen 45 jaar bijdoen, en dan langzaam en stil doodgaan in je slaap. Wie wil dat niet?
Hopelijk is het me gegund. Zo ja, ben ik tevreden. Maar in een leven is je niets gegund, of beter, is niets zeker, niets afgelijnd, niets te bespreken. Je neemt wat komt. Je moet wel. Iets of iemand beslist voor jou.
Mevrouw Dottermans, een dezer bel ik je. Voor een interview, of liever nog voor een gesprek met drama, misbaar, gestes, witte wijn en gelach.
Dochters, vrouwen, meisjes, het zijn godinnen, zeg ik je.
Overpeinzend, over de voorbije week. Weer moeten omgaan met een ellendige situatie, de zoveelste op te korte tijd. De rek op onze rekker is eruit, het is genoeg geweest, we willen eens meeval, ooit moet het toch eens keren?
Misschien is het wel aan het keren. Mijn schoonma gaat stukje bij beetje vooruit, heeft haar comateuze toestand achter zich gelaten en gaat nu vooruit. ‘t Is nog basic communiceren en de weg van de revalidatie zal lang zijn, maar we hebben hoop. En vuur. En wil.
Van de week een paar keer gedacht dat ik mijn kinderen onder een stolp wil zetten. Opdat hén toch niets zou overkomen. Maar dat is spreekwoordelijk natuurlijk, om de boze wereld te overwinnen, moet je durven in de klatergolven van de alledaagsheid stappen. Gewoon leven.
Ik bewonder de sterkte van mijn vrouw die de zoveelste klets op haar mooi gezichtje heeft gehad, maar gewillig blijft vooruit kijken. Verbolgen, verbeten en verblind. Omdat het moet. Voor die twee kleintjes, voor haarzelf, voor mij ook wel, voor anderen. Enorm veel gehad aan berichten, telefoons, bezoekjes en hand- en spandiensten van vrienden. Collega’s ook die zich betrokken toonden. Steun in bange tijden is een deugd.
Van de week is mijn eigenste relativiteitstheorie nog meer ontwikkeld: Geluk = durven leven x meeval in het kwadraat. Nog meer zijn de slijkpoelen der aarde me veraf. Bezit, geld, snobisme en hebben-hebben staat nu nog verder van mij. Je doet toch alleen maar voort met gezondheid en mensen rondom je. Een cliché, maar door velen niet beseft. Bankrekeningen, eigendommen en merken zijn in mijn ogen nog meer uitwassen van onwetendheid. Sommige mensen moeten nu eenmaal beseffen dat ze het goed hebben en niet te piekeren hebben. Als je ‘t goed hebt, zoveel te beter, maar kus uw pollekes dan!
Ik wens iedereen alle geluk en voorspoed toe, maar ik wens het ons nog het meest toe. Egoïsme gestuurd door saturatie: het is genoeg geweest. Graag eens gewoon leven, mijn drie vrouwen en ik. En doen wat we willen doen: leven, werken, genieten, varen. En lachen. Dat ook. Honderduit.
Alles komt goed, ik blijf het herhalen. Maar een nieuwe tegenvaller kan er niet meer bij. De grenzen zijn dicht, omdat ze overschreden zijn.
Jeannine, blijven vechten. We komen er wel. Ooit…
Van de week weer veel te veel de binnenkant van een ziekenhuis gezien. Ik ben alle gedoe zo ongelofelijk beu, kan ik zeggen. Enfin, zolang er maar vooruitgang is zeker? Meer info bij mijn eega.
Ik hoop op een snelle en definitieve ommekeer, ik vind dat we thuis eens wat geluk mogen hebben.
Enfin, veel veel dank aan onze vele vrienden, die zich uitvoerig betrokken hebben getoond van de week. Dank ook aan de welgemeende empathie van veel van mijn collega’s.
Vorig jaar was voor ons een rampjaar, op zijn minst. Mijn schoonzus en schoonvader hebben we moeten afgeven, het amper twee maanden oude kindje van zeer goede vrienden ook. Intussen was er wel onze Sien, die zeer veel goed maakte. En maakt.
Dan denkt een mens, dan hoopt een mens dat ie er vanaf is. Dat ie genoeg gestraft is. Bijna een jaar na het overlijden van Raf, mijn schoonpa die ik zo mis, keert de wereld zich weer tegen ons.
Jeannine, mijn schoonmoeder, had iets aan haar darmen en dat is geëscaleerd. Het hele relaas…
We kunnen nu alleen maar hopen dat alles nog normaal verloopt en dat alles vooral goed afloopt. Die dramatische wendingen op het einde, ik heb ze even helemaal gehad. Er is een zekere beterschap merkbaar (gisteren hadden we niet veel hoop meer, dus we gaan erop vooruit), maar toch…
Geen zin meer in rampverhalen. We zijn leeg en onze tranen zijn op. Hopelijk, hopelijk…
Update: Ik wil bij deze ook de vriendelijkheid en empathie van velen bedanken. Vrienden die bellen, die aan de deur staan, die langs andere wegen steunen, die aanbieden om op Janne en Sien te passen, mijn collega’s ook die zeer meelevend waren…
Ik heb het moeten leren, maar ik ben een liefhebber geworden van geuren en smaken. Geuren als daar zijn de geur van de nacht, Davidoff for Men, een bakkerij aan het werk, diesel, Italiaanse rode wijn, pepers, frietvet, drukwerk dat ruikt naar frietvet, een goed gebakken steak en zo meer.
Ik ben in de loop der jaren, ja, ik geef het toe een verslaafde geworden. Niet aan drank of drugs, wel aan koffiebonen en mosterd. Sinds enkele maanden hebben we thuis een op en top Italiaanse koffiemachine. Dat werkt op echte bonen en dat produceert de meest fantastische, lekkerste koffie. We kunnen die gelukkig vinden in één van dé speciaalzaken van Gent, de Mokabon, in die typische gele zakjes.
Heel af en toe, neen, heel vaak kan ik me niet bedwingen en graai ik in het bonencompartiment van de machine. En ruik aan de bonen en aan mijn vingers. Heerlijk is dat, simpelweg.
Idem met mosterd. Ik ben al jarenlang fan van harde smaken, van pikant, van fors, van stevig, van mét kloten. Ik zweer dan ook al jaren bij mosterd van Dijon (leuke stad, trouwens), al de rest vind ik maar flauwe kak. Tot een tijdje geleden vrouwlief thuis arriveerde met een potje Tierenteyn mosterd. Leek me niets voor mij te zijn want die mosterd met graantjes, ik ben daar niet zo voor.
Neen, ‘t was zonder graantjes, “schetekleur” (zoals een baby’tje in de pamper laat vallen). Geproefd en direct verkocht. Wat een smaak, wat een aroma, wat een lekker penetrante aanval! Gewichtheffers hebben de gewoonte om voor hun poging iets op te snuiven dat alle luchtwegen volledig open zet, wel, die moutarde komt in de buurt. Al-les open! Heer-lijk!
Op de Groentenmarkt in Gent heb je nog zo een typisch winkeltje, met typische Gentse lekkernijen. Met daarvoor het karretje met de even typische Cuberdons. Daar kun je ‘t kopen. Tegenwoordig -ja, verklaar mij maar zot- durf ik enkele lepels nemen, rechtstreeks uit de bokaal.
Mosterd en koffie, wat een combinatie. Laat het vooraf gaan door een spumante, nadien nog een goeie steak bien cuit en een limoncello en ik ben content. Echt.
Smakelijk!
Je moet dat eens doen. Als je van Gent naar Brussel rijdt, een traject dat ik heel vaak volg. Let eens op de kilometernoteringen en ergens ter hoogte van kilometerbord 28.2 moet je naar rechts kijken (da’s ter hoogte van Erpe-Mere). Van de snelweg weg, recht naar de glooiingen, de velden en de heuvels. Turen op de pure agricultuur.
Een schitterend beeld is het, altijd weer. Autostrades worden meestal omzoomd door muren van bomen, geluidswerende panelen en zo meer. Op de 28.2 is er plots een gat, een opening naar de wereld. En als je kijkt, zie je een beetje Toscane in Vlaanderen. Vanop de snelweg. Winter, zomer, ‘t is altijd een intrigerend beeld. Elke keer weer kan ik me niet inhouden, moet ik even lonken. Ik heb me al vaak moeten bedwingen, om mijn auto niet naar rechts te zwenken en een foto te nemen.
Moet je echt eens bekijken, die 28.2, mocht het je nog niet zijn opgevallen. En veroorzaak geen ongevallen, liefst!