Laatste reacties


Gondelend

‘t Is even druk geweest. En raar. Nachtdiensten en zo. En mijn lijf heeft daar precies danig van afgezien. En lesvoorbereidingen, begonnen als (deeltijds van deeltijds- docent aan een hogeschool). En weg nu. Richting San Marco, Canal Grande en vaporetti. Venetië dus. Verwacht ik veel van. Ik beloof een verslag, ja. En foto’s…

Impact

Mijn eega kwam het me woensdagochtend zeggen toen ik nog sliep. Dat er een groot accident was geweest. Met veel Belgen. Kindjes. Langzamerhand besefte ik de draagwijdte van het gebeuren, de impact van de crash. Letterlijk.

Vreemd dat ik het niet eerder wist. De avond ervoor zat ik tot middernacht op de redactie, het was drie uur eerder gebeurd, de Zwitsers hebben de feiten kunnen verborgen houden, niet slecht op zich.

‘s Middags keken we naar “Het Journaal”. Alletwee de tranen verbijtend, met één van onze twee prinsessen bij ons in de living, de andere lag te slapen boven. Vredig. In stilte. Ongehavend. Gevrijwaard. Levend.

Als je zelf papa of mama bent, voel je de pijn van de ouders van de slachtoffers. Als je gewoonweg kind van iemand bent, voel je dat ook. Pijn kent geen klasse, geen areaal, geen beperking. Iedereen voelt mee.

Ik heb alles deze week vanuit een specifieke hoek gevolgd: die van de media, de journalistiek, de verslaggevers. Al ben ik zelf niet op pad gemoeten ervoor, ik had er echt maar zijdelings mee te maken, ik was toeschouwer en luisteraar. Hoe dan ook, ik zal het niet vergeten. Hoe iets zo alle gesprekken beheerste, de minuut stilte op de redactievloer, de blijheid als je je kinderen zorgeloos bezig ziet.

Smart is als oorlog, je wil niet dat het ooit terugkeert. In gedachten ben ik bij de ouders van de slachtoffers. En bij uitbreiding bij alle ouders die ooit een kind hebben moeten afgeven. Logica is soms niet des levens, helaas.

Tegen de vlakte

Spectaculaire beelden, hier, ik kan daar echt uren naar kijken. Naar koeltorens die als kaartenhuisjes in elkaar zakken.

‘t Doet me een beetje denken aan “Koyaanisqatsi“, met muziek van Philip Glass – ooit had ik het geluk om met mijnheer askatasuna de film nog eens helemaal te bekijken terwijl mijnheer Glass op zijn piano de score meetokkelde.

In Eindhoven was het, toen onze meisjes nog klein waren…

- Jaja, dit is een aankondiging van wat komen zal: ik heb wxeerr goesting, tijd, inspiratie en een nieuwe definitie om te bloggen, hou je vast…

9/11, 10 jaar later

Terugdenken aan 9/11. Ik herinner me vooral een ouderwetse tv-avond met allemaal televisielozen die kwamen kijken daar in ons appartementje, recht tegenover waar we nu wonen. En dat we goed gelachen hebben. Sorry, guys.

Ik herinner me bij de schuldigen zeker nog mijn vrouw-die-toen-nog-vriendin-was, mijn nog altijd zeer goeie vriend annex peter van mijn jongste en ik van de zijne, Joris, vriendin Lies, die Henk van “Zonde van de zendtijd”, vriendin/actrice Katrien en Bjorn, ook al van “Zonde van de zendtijd”. En eigenlijk allemaal kornuiten van “The Lunatics”. Daarmee dat lachen zeker?

Enkele dagen later begon ik op de VRT. Da’s tien jaar geleden, mensen. Ik ga me even onderdompelen in een emmer melancholie.

Teken van leven

Tja, wat moet ik zeggen? En schrijven? Mijn laatste post dateert van bijna twee maanden geleden, bloggen is echt een detail der details geworden bij mij. Jammer, maar ‘k ga proberen de discipline en de goesting op te vijzelen – al heb ik dat al vaak gezegd hier.

Enfin, ik kan gelukkig zeggen dat in die twee maanden tijd mijn schoonmoeder goed vooruit is gegaan. Van intensieve, naar een kamer, naar een revalidatiecentrum, naar huis… Het komt goed, stilletjesaan.

In juli goed gewerkt voor de Tour op de radio en dan in augustus maar op vakantie getrokken. Met leuke en gezellige mensen en hun partners. Ietwat zwak festival muzikaal, het weer was ook maar zo en zo, maar wel een week lang genoten alweer van die heerlijke streek daar. En intussen gegeten met een ster (in alle betekenissen) in “In de Wulf”. Zoiets probeer je toch om de zoveel jaar eens te doen.

Nadien Umbrië verkend, mijn favoriete Italiaanse streek, met vrienden ook alweer. En met de twee meisjes die het fantastisch deden. Ook weer top, zij het dat ik er met een joekel van een dubbele oorontsteking ben geplaagd, verhalen van een spoedafdeling in een Italiaans ziekenhuis, immense doofheid… enfin, een vakantie met een dubieuze rand aan.

Afijn, de doofheid neemt stilaan af, het normale leventje keert terug. En hopelijk straks wat energie om wat posts in te halen, over de voorbije maanden. En over wat komen zal… Blijf lezen!

Over dochters en een godin

Van de week nu al twee keer Els Dottermans op televisie gezien, bij Marcel Vanthilt in zijn zomerprogramma én in de documentaire met haar prachtige vader (in de reeks “Mijn vader”, het stond nog te wachten op de digicorder). Al sinds mijn achttiende is la Dottermans zowat een godin voor mij. Ooit wil ik haar spreken en interviewen, bloednerveus zal ik zijn. Trouwens, hoe haar vader over zijn kinderen spreekt, hopelijk doe ik dat ook zo als ik zijn leeftijd heb…

Dottermans. Horen over spreken ten tijde van “Wilde Lea”, de poster ervan heeft jarenlang op mijn kot geprijkt. Liefjes die passeerden, moesten er op kijken. Ik zag ze later in “All for love”, in de film “Beck”. Meer nog, ik figureerde als jonge snaak in “Moeder, waarom leven wij?” en ik mocht in (het oude “vettekot” in) Kuurne net niet meespelen met haar. Ik speelde wel met Dirk Roofthooft samen, ook een held van mij. Maar ik zag haar, met haar toenmalige levenspartner Luk Perceval, samen met mij in de kleedkamer, in lingerie, jawel, voor een potente achttienjarige was dat alles.

Een deel van mijn licentiaatsthesis ging over de Blauwe Maandag Compagnie, waar Dottermans een absolute protagoniste was. Het intrigeerde mij en ik kon haar zo heel even van nabij volgen.

Ik ben haar blijven volgen omdat ze nu eenmaal een steengoede actrice is én omdat ze schoonheidsgewijs dartele dingen met me deed. Zeker meer dan de helft van haar werk op het theater heb ik gezien.

En nog altijd beroert ze mij, tien jaar ouder dan ik ben, maar een majestueuze vrouw, zoals ze is. Met haar vader zeg, een kruising (uiterlijk én van manier van doen) tussen mijn eigen vader én Jan Decorte, vind ik. Hoe die sprak over vader zijn van (vier) dochters, over de jongste, zijn zoon, die uit het leven is gestapt. En hoe vader en dochter naar elkaar keken. Goddelijk.

Zo wil ik over dertig, ja, veertig jaar ook bestaan. Zo kunnen spreken over mijn kinderen, in mijn geval mijn twee heldinnen, Janne en Sien. ‘t Zou mooi zijn, trouwens iets waar ik, hypochonder pur sang, mee bezig ben. Hoelang leef je, hoelang heb je? Wat zou ik nu direct tekenen om 80 te mogen worden, er dus nog net geen 45 jaar bijdoen, en dan langzaam en stil doodgaan in je slaap. Wie wil dat niet?

Hopelijk is het me gegund. Zo ja, ben ik tevreden. Maar in een leven is je niets gegund, of beter, is niets zeker, niets afgelijnd, niets te bespreken. Je neemt wat komt. Je moet wel. Iets of iemand beslist voor jou.

Mevrouw Dottermans, een dezer bel ik je. Voor een interview, of liever nog voor een gesprek met drama, misbaar, gestes, witte wijn en gelach.

Dochters, vrouwen, meisjes, het zijn godinnen, zeg ik je.

Situatie

Van de week weer veel te veel de binnenkant van een ziekenhuis gezien. Ik ben alle gedoe zo ongelofelijk beu, kan ik zeggen. Enfin, zolang er maar vooruitgang is zeker? Meer info bij mijn eega.

Ik hoop op een snelle en definitieve ommekeer, ik vind dat we thuis eens wat geluk mogen hebben.

Enfin, veel veel dank aan onze vele vrienden, die zich uitvoerig betrokken hebben getoond van de week. Dank ook aan de welgemeende empathie van veel van mijn collega’s.

Weylandt

Wouter Weylandt is niet meer. Vallen tijdens een afdaling is genoeg om het noodlot tegen te komen. ‘t Zijn een twintigtal intense uren geweest. Van de val, over de verschrikkelijke beelden tot de aankondiging van de dood. De duiding en de feiten, verdeeld over twee radiodiensten. Intens. Soms komt een mens liever niet op de radio. Echt.

Spiksplinter

Gisteren heb ik voor het eerst Hans Teeuwen live aan het werk gezien. En ik ben onder de indruk. Recensie ervan daar… en ook hieronder…

Hans Teeuwen: de komiek, de gek, het fenomeen

“Spiksplinter”, dat is de nieuwe show van Hans Teeuwen. Dan toch is hij teruggekomen op zijn besluit om geen theater meer te maken. Terug op de planken dus. En hoe. Raak, gevat en snedig als altijd, maar toch iets meer bedaard dan vroeger.

“Disco inferno” door de boxen van de Stadsschouwburg in Antwerpen. Het zaallicht dimt en je verwacht een rockband op het podium. Toch als je afgaat op het gejoel uit de tot de nok gevulde zaal. Teeuwen komt op, met die typische korte stapjes van hem, gekleed in een sober zwart pak en hij begint met het publiek te converseren. Sympathiek, vrolijk en minzaam. Hij zal de zaal bijna twee uur lang niet meer loslaten.

Teeuwens theater blijft onconventioneel en atypisch. Geen politiek correcte en maatschappijkritische beschouwingen, geen kadans van tekstje-liedje-tekstje, geen geoliede overgangen in tekst en decor. Neen, hij hakt en kapt nog altijd. Elke seconde loert de verrassing om de hoek. Teeuwen spreekt, fulmineert, stokt het tempo, knuffelt verbaal de zaal, vliegt plots naar zijn piano, begint aan een nieuw stukje, klieft een mening in tweeën en laat af en toe de halfgek in zich opkomen.

Halfgek of genie, het is bij momenten onduidelijk. Teeuwen bezit een scala aan talenten waar zowat al zijn collega’s jaloers op zijn. Hij heeft het charisma van een rockster, kan wonderwel acteren, zingt fantastisch, is ook zeer begaafd als pianist, heeft de mimiek van een clown, beweegt zo gecontroleerd als een turner én heeft een jukebox aan stemmetjes en typetjes in zich.

Wat passeert, zijn hilarische sneren naar Michael Jackson, naar de islam, naar minderheidsgroepen en naar wereldmuziek. Hij schetst zijn eigen hilarische sprookjesbos, zingt schlagers en blues, imiteert André Van Duin, lanceert een absurde reclamespot, kust een meisje uit het publiek, geeft zijn interpretatie van moderne dans en verklaart zijn liefde aan een grote gele knuffel.

Maar de inhoud staat soms in de schaduw van de vorm. Zijn woorden zijn hilarisch, scherp, doordacht en met een perfecte timing geplaatst, maar alles vervaagt bij het fenomeen op het podium. Teeuwen is nu eens lief, dan eens sexy, dan plots is hij de brullende man: de schuttingwoorden is hij nog niet verleerd, al gebruikt ie ze zelden of nooit gratuit. Hij is de roepende gek, de zachte verteller. Teeuwen toont het allemaal en palmt de immense zaal in. Het podium is op een piano na leeg, maar Teeuwen vult het volledig met zijn performance.

Want dat is het. Teeuwen is eerder performer dan cabaretier, eerder entertainer dan theatermaker. Teeuwen is het genre ontstegen en is een stijl op zich geworden. Zo eigen, zo specifiek. Meer dan ooit is ie samen met Theo Maassen dé vaandeldrager van zijn generatie komieken.

En het publiek? Jaja, wild enthousiast. Grotendeels rond de dertig, gul van lach, joelend en wild en terecht rechtstaand klappend op het einde. Een fenomeen moet je nu eenmaal koesteren en aaien. Want Hans Teeuwen is een publieksspeler met de trekken van een genie. En een gek. Als dat al niet hetzelfde is.

Kuchen en hoesten

Het is me wat geweest al. Vorige week ging ik met vriend D. kijken naar “Lucifer”. Tekst van (Joost van den) Vondel, geënsceneerd door Theater Zuidpool. Met Koen van Kaam, Sofie Decleir en haar vader Jan Decleir op het podium.

Een behoorlijk zwaar stuk, tekstueel dan toch. Behoorlijk barok en niet zomaar weg te happen. Maar goed gedaan, mooi uitgewerkt met levensgrote poppen die door de acteurs manueel werden “bediend”. Met (alweer eens) een indrukwekkende Jan Decleir. De man is een levende legende, maar ‘t is niet zomaar, hij is gewoon een acteur opgetrokken uit klasse en kunde.

Vreemd genoeg voer ie -tamelijk op het einde van het stuk- uit tegen het publiek. Dat “theater net als muziek ontstaat uit stilte”, dat ze als spelers “vergast werden op een grof concert van kuchen en hoesten”. Zoiets. Ik zat wat perplex in mijn pluchen zetel, door te zien hoe Decleir letterlijk uit zijn rol stapte om het publiek te berispen. Ik wist niet wat ik er mee aan moest, een absolute held van mij had mij doen schrikken. Terwijl er -mijns inziens- niet echt al te veel gekucht en gehoest was.


(foto: Leo van Velzen)

Enfin, het weze zo, dat gebeurt nu eenmaal in het theater, ik had het meegemaakt en einde verhaal. De dag erna spookte de scène nog door mijn hoofd en zette ik volgende status op mijn Facebook-account: Ik zag gisteren een weer eens indrukwekkende Jan Decleir in “Lucifer”, maar de mythe is toch wat ineengestuikt. Hij begon te razen op het publiek (over kuchen en hoesten en theater vanuit de stilte) en ik vond het precies niet gepast en onterecht. Dubbel. Jammer.

Plots kreeg ik telefoon van een journalist van “Het Nieuwsblad”, die mijn status had gelezen via een collega van hem, een FB-vriend van mij. Of ik daar iets meer wou over zeggen. En getuigen. Wat ik ook deed, voor wat het waard was. Als ie maar zou vermelden dat ik het stuk schitterend gespeeld vond. En dat de acteurs veel applaus kregen.

Het kwam ook zo in de krant. Maar daarna rolde de sneeuwbal voort. Zelfs ik, journalist zijnde en de media toch een beetje kennende, werd enorm verrast door wat één getuigenis en één artikel teweeg kunnen brengen.

Plots kreeg ik telefoontjes van her en der om nog eens te getuigen en alles te duiden. Wat ik telkens afwimpelde, ik had mijn ding gezegd, het was/is ook geen staatsdrama en meer adem moest daar niet aan verspild worden. Uit reacties in mijn mailbox en op mijn Facebook bleek dat Decleir wel vaker eens om stilte vraagt in zijn voorstellingen. Alleen al in deze “Lucifer” heeft ie blijkbaar hetzelfde gedaan in Heusden-Zolder, Leuven, Strombeek-Bever, Sint-Niklaas en nog wel op wat plaatsen. Een gimmick? Een constante? Een gevoeligheid?

Wat de dagen nadien is gebeurd, tartte mijn verbeelding. De Gazet van Antwerpen citeerde me plagiërend zonder me ooit te hebben gebeld, “De Morgen” pakte uit met een groot artikel over collega-acteurs die Decleir steunden, het item geraakte zelfs in “Peeters en Pichal” (die me blijkbaar ook citeerden zonder dat ze mij, een collega toch, eens hadden gebeld). “Man bijt hond” wijdde er een stukje aan en ik hoorde nu ook dat “Reyers laat” het onderwerp heeft aangegrepen.

Ik zit er zeer mee verveeld. Of Decleir nu gelijk had of niet om die avond in het NTG zo uit te halen, feit blijft dat ik hem bewonder en dat ik het beste van het beste heb gezien door hem. Ik ben al langer dan 15 jaar een trouw theaterbezoeker, ik heb honderden stukken gezien, en wat hij telkens deed was geweldig goed. Ik herinner me zijn vertolking in “Meneer Paul” van de Blauwe Maandag Compagnie (nooit vergeet ik dat ik toen amper één dag samen was met mijn toenmalig lief, mijn huidige vrouw, we schrijven werkelijk 15 jaar geleden). Ik herinner me vooral ook zijn vertolking van Risjaar Modderfokker den Derde in “Ten Oorlog” van Tom Lanoye, waar ie het laatste kwartier tot bloedens toe de zaal plat speelde, een monoloog zoals ik er nooit meer één heb gezien. Los van zijn vele superbe vertolkingen in films.

Enfin, ik ben een fan en vind het een beetje gênant dat een opmerking van mij een kleine hetze heeft ontketend, een item van enkele dagen is geworden “in de media”.


(foto: cobra.be)

Leert me drie dingen…

Ten eerste de macht en invloed van Facebook, wat een nieuwsbron op zich is geworden.
Ten tweede dat ondanks politieke strubbelingen in ons land en het feit dat Noord-Afrika en de Arabische regio in brand staan er blijkbaar toch geen nieuws genoeg is.
Ten derde, dat kranten en andere media niet te verlegen zijn om onderwerpen van elkaar in te pikken. Zomaar, om te vullen. En te citeren hoe en wie zij willen. Vreemd.

Ik mag dan journalist zijn, mijn eigen habitat blijft me verrassen. Deze keer toch ietwat onaangenaam. Enfin, zoals zoveel nieuwtjes is dat iets van gaan en komen. Over enkele dagen weet niemand het nog. Is het overgewaaid. Denk ik. Maar ik heb weer bijgeleerd.

O ja, mijnheer Decleir, mag ik Jan zeggen trouwens? Ik vind je nog altijd steengoed. Ik vond je uitval vorige week in die prachtige schouwburg in Gent gewoon wat vreemd. Maar het volgende stuk waarin je speelt, kom ik met veel graagte weer bekijken. Omdat je van een heel apart en alleenstaand kaliber bent.

Einde, wat mij betreft.

Muziek uit de honderd

Afgelopen weekend was ‘t weer eens “100 op 1″ op Radio 1. Een toplijst altijd weer, met dit jaar toch enkele verschuivingen.

Blij dat “Lena” van Twee Belgen én buur Rembert (waar ik vorige week en vorige dinsdagavond in mijn comedy clubje nog samen mee vertoefde) weer naar 22 is gestegen. De nummer 1, “Twee meisjes”, daar kan ik goed mee leven. Net als met “Ne me quitte pas van Brel” op numéro twee. Enfin, die hele top-10 kan ik wel goedkeuren, behalve misschien nummer 10. Yevgueni, bwah.

Opvallend de toch verrassend hoge noteringen van “Suspicion” van Toy, “In de fleur” van Mira, of dat nummer van Hannelore Bedert dat toch nog veel te bewijzen heeft. Enfin, mooie lijst, bewijst dat in Vlaanderenland wel degelijk iets muzikaals kan gemaakt worden.

O ja, deze staat dit jaar op 23: het onvolprezen “De zotte morgen” van Zjef Vanuytsel…

En als toegift -omdat het hier zo kalm was de voorbije weken- een zo mogelijk nog mooier pareltje van hem: “Ik weet wel mijn lief”…

Mooi Vlaams op 1. Toch?

Derden

“Het Braambos” op Radio 1, zo tussen het nieuws van 20 uur én de “Sporza”-laatavonduitzending. Uitzending door derden, zeg maar. Het is werkelijk hallucinant dat een dergelijke vorm van radio nog altijd een plaats vindt. “Uitzending door derden”, het klinkt zo wollig als drie gebreide wintertruien samen. Zo van die witten, met veel kronkelende slakken op. Hoelang blijft dat (derden)grapje nog duren? Zolang Carl Decaluwé dat waanzinnig goeie radio vindt zeker? Of hoe je luisteraars richting televisie en internet drijft…

« Vorig bericht